Aan tafel in Kiev begon een journalistieke reis naar oorlogsmisdaden, corruptie en bedreigde persvrijheid

8 september 2026

Er stond eten op tafel. Borden. Glazen. Bestek. Mensen die elkaar voor het eerst de hand schudden. Op papier was het een kennismakingslunch. In mijn hoofd voelde het totaal anders. Ik zat in Kiev. In Oekraïne. In een hoofdstad van een land in oorlog. Mijn handen waren droog, maar ik voelde het zweet onder mijn kleren. Mijn hartslag lag hoger dan normaal. Ik probeerde aandachtig te luisteren naar namen, functies en verhalen, maar ergens achter in mijn hoofd liep voortdurend een tweede gesprek. Wat als er plots een alarm komt? Wat als iedereen opstaat en exact weet waarheen, behalve ik? Wat als deze ogenschijnlijk gewone lunch binnen enkele seconden verandert in een veiligheidsprocedure? Ik keek naar de mensen rond mij. Sommigen praatten rustig. Er werd gelachen. Er werd gegeten. En juist dat maakte het bijna beklemmender. Buiten lag Kiev. Een stad die heeft geleerd verder te leven met oorlog boven haar hoofd. En terwijl ik daar namens Indegazette.be tussen internationale journalisten zat, begonnen de woorden te vallen die mij nog uren zouden achtervolgen: Bucha. Irpin. Oorlogsmisdaden. Corruptie. Propaganda. Persvrijheid. Slachtoffers. Bewijs. Ik voelde op dat moment dat dit geen reis zou worden die je gewoon met een notitieboek kunt verwerken. Dit kroop onder mijn huid.

Het leek rustig. Misschien was dat precies wat mij zenuwachtig maakte.

Aan tafel zat ik tussen het MDF- en KMS-team en internationale journalisten die elkaar nog maar net leerden kennen. Indegazette.be was geselecteerd voor deelname aan deze journalistieke studiereis binnen het CORRECTIV.Europe Network. Dat alleen al voelde bijzonder. Maar trots was niet het enige wat ik voelde. Er was ook die spanning in mijn buik die maar niet verdween. De kamer was rustig. Mensen spraken met elkaar. Niemand rende. Niemand riep. Er gebeurde niets dramatisch. En toch kon ik het gevoel niet afschudden dat oorlog hier nooit helemaal afwezig is. Misschien juist omdat iedereen gewoon doorgaat. Misschien omdat je beseft dat mensen hier hebben geleerd om te ontbijten, te werken, te vergaderen, te lachen en te leven terwijl de mogelijkheid van gevaar altijd ergens in de achtergrond blijft hangen. Die gedachte maakte zelfs het geluid van een telefoonmelding plots anders. In België kijk je gedachteloos naar je scherm. Hier keek ik sneller. Automatischer. Alsof mijn lichaam al eerder begreep dan mijn hoofd dat ik mij in een andere werkelijkheid bevond.

Toen het woord ‘luchtalarm’ viel, voelde ik mijn lichaam reageren

Luchtalarm. Shelters. Noodcontacten. Veiligheidsprocedures. Het zijn woorden die in een journalistiek programma bijna administratief kunnen ogen. Maar wanneer je ze hoort terwijl je daadwerkelijk in Kiev zit, krijgen ze gewicht. Ik voelde mijn nek gespannen worden. Mijn rug voelde klam. Ik dacht plots niet meer alleen als journalist. Ik dacht praktisch. Waar is de dichtstbijzijnde schuilplaats? Hoe snel moet je reageren? Wat neem je mee? Laat je je materiaal liggen? Neem je instinctief je telefoon? Volg je gewoon de anderen? Hoeveel tijd heb je? Niemand moest mij bang maken. De instructies deden dat werk niet eens. Het simpele feit dát die instructies nodig waren, was voldoende. Ineens werd alles concreet. De oorlog zat niet op mijn laptopscherm. Hij zat in de veiligheidsbriefing.

Mijn hoofd schreef scenario’s die ik helemaal niet wilde schrijven

Een journalist observeert. Dat is mijn vak. Maar op dat moment observeerde ik niet alleen de ruimte. Ik observeerde mezelf. Ik merkte hoe mijn blik automatisch naar deuren ging. Naar gangen. Naar mensen die duidelijk wisten hoe alles hier werkte. Ik vroeg mij af hoe ik zou reageren als het werkelijk misliep. Zou ik kalm zijn? Zou ik te traag reageren? Zou ik het gevaar onderschatten? Zou mijn journalistieke reflex sterker zijn dan mijn instinct om dekking te zoeken? Dat zijn vreemde vragen. Bijna absurde vragen. Tot je in een stad zit waar ze niet meer absurd zijn. Ik voelde een druppel zweet langs mijn rug. Misschien door de warmte. Misschien door spanning. Waarschijnlijk door allebei. Ik probeerde verder te luisteren. Professioneel. Geconcentreerd. Maar de gedachte bleef terugkomen: hier kan een gewone dag plots ophouden gewoon te zijn.

En toen kwamen de namen

Bucha. Irpin. Namen die ik al ontelbare keren had gelezen. Namen die in Europa bijna symbolen zijn geworden van de verschrikkingen van de oorlog. Maar nu werden ze uitgesproken op enkele tientallen kilometers van de plaatsen zelf. Dat verschil raakte mij harder dan ik had verwacht. Vanuit België kun je Bucha intikken op een scherm. Je leest. Je kijkt naar beelden. Je sluit een tabblad. Hier kon ik dat niet. Hier voelde de naam fysiek dichterbij. Alsof het woord zelf plots zwaarder werd. Bucha was niet langer alleen een geografische naam in een artikel. Het was een plek in hetzelfde land waarin ik zat te eten. Irpin was niet langer een foto in een archief. Het lag in dezelfde werkelijkheid die zich buiten de muren rondom ons uitstrekte. Mijn maag trok samen. Niet omdat iemand dramatisch sprak. Juist omdat niemand dat hoefde te doen.

Ik voelde mij journalist, maar tegelijk ook gewoon mens

Dat is misschien het vreemdste wat er met mij gebeurde. Ik wilde alles weten. Ik wilde vragen stellen. Ik wilde begrijpen hoe onderzoeksjournalisten hier werken. Hoe zij bewijs controleren. Hoe zij met slachtoffers spreken. Hoe zij omgaan met corruptie. Hoe zij propaganda herkennen. Hoe zij hun eigen angst uitschakelen wanneer ze moeten blijven analyseren. Maar tegelijkertijd voelde ik dat mijn lichaam niet geïnteresseerd was in professionele afstand. Mijn hart sloeg sneller. Mijn spieren stonden gespannen. Ik voelde nervositeit in mijn buik. Journalistiek zegt: dichterbij gaan. Menselijk instinct zegt soms: weet je zeker dat je dit wilt zien? Precies tussen die twee krachten zat ik aan tafel.

Het meest beangstigende was dat niemand hier deed alsof het bijzonder was

Voor mij was dit uitzonderlijk. Voor veel Oekraïners is het hun dagelijkse werkelijkheid. Dat contrast voelde bijna ongemakkelijk. Ik zat daar met adrenaline in mijn lijf terwijl mensen rondom mij op een normale manier praatten over onderwerpen die voor mij bijna ondraaglijk zwaar klonken. Oorlog. Onderzoek. Slachtoffers. Corruptie. Persvrijheid. Zij hadden geen keuze om na vijf dagen weer afstand te nemen. Zij wonen hier. Hun familie woont hier. Hun collega’s wonen hier. Wanneer er nieuws komt over een aanval, kan dat hun eigen straat betreffen. Hun eigen vrienden. Hun eigen redactie. Die gedachte sneed dieper dan welke dramatische beschrijving ook.

Oorlogsmisdaden: het woord alleen al veranderde de sfeer in mijn hoofd

Oorlogsmisdaden. Je kunt het makkelijk schrijven. Zestien letters. Maar achter dat ene woord kunnen lichamen liggen, families, verdwenen mensen, beschadigde huizen, getuigen, forensische sporen en dossiers die misschien ooit in een rechtbank terechtkomen. Als journalist mag je daar niet slordig mee omgaan. Een fout is hier geen typfout. Een fout kan iemand vals beschuldigen. Een verkeerde foto kan propaganda voeden. Een onvolledig verhaal kan slachtoffers opnieuw beschadigen. Dat besef voelde bijna verstikkend. Hoe dichter je bij dergelijke dossiers komt, hoe minder ruimte er bestaat voor journalistieke ijdelheid. Het gaat niet om een pakkende titel. Het gaat om wat je werkelijk kunt aantonen.

Bewijs werd plots een woord waar ik bijna bang van werd

Bewijs klinkt klinisch. Zakelijk. Maar tijdens oorlog is bewijs vaak allesbehalve koud. Een video. Een satellietbeeld. Een getuigenis. Een naam op een lijst. Een foto van een straat. Metadata. Een lichaam. Een document. Een telefoongesprek. De journalist moet al die fragmenten behandelen alsof hij over dun ijs loopt. Eén stap te snel en je kunt door de werkelijkheid zakken. Wat klopt? Wat lijkt alleen maar te kloppen? Wie heeft belang bij deze informatie? Wat ontbreekt? Kan een beeld ergens anders zijn gemaakt? Is een getuige betrouwbaar? Hoeveel onafhankelijke bevestiging is er? Ik voelde hoe mijn enthousiasme voor onderzoeksjournalistiek vermengd raakte met iets anders: angst om iets verkeerd te begrijpen.

Want in oorlog is niet alleen de waarheid gevaarlijk. Ook de leugen is een wapen.

Dat besef hing overal boven. Propaganda hoeft geen uniform te dragen. Ze kan eruitzien als een video. Als een getuigenis. Als een officieel bericht. Als een dramatische foto zonder context. Als een halve waarheid die precies genoeg klopt om geloofwaardig te lijken. Journalisten bevinden zich daardoor in een mijnenveld van informatie. Een verkeerd geplaatste stap en je versterkt misschien precies het verhaal dat iemand wilde verspreiden. Ik voelde hoe zwaar dat weegt. Je wilt snel zijn. Je wilt nieuws brengen. Maar hier kan snelheid de vijand van de waarheid worden. Hier moet je soms juist stoppen terwijl iedereen al deelt.

En dan was er corruptie, misschien nog ongemakkelijker dan oorlog

Corruptie onderzoeken terwijl een land wordt aangevallen. Alleen de gedachte is explosief. Want wie corruptie blootlegt, kan worden beschuldigd van verdeeldheid. Van schade aan het imago van het land. Van slechte timing. Maar net tijdens oorlog bewegen enorme geldstromen. Worden noodprocedures ingevoerd. Wordt macht geconcentreerd. Worden miljarden uitgegeven. Dan wordt controle niet minder noodzakelijk, maar juist méér. Dat Oekraïense journalisten onder zulke omstandigheden blijven onderzoeken, maakte diepe indruk op mij. Zij riskeren niet alleen kritiek. Ze werken in een omgeving waarin iedere journalistieke aanval op macht onmiddellijk deel kan worden van een bredere politieke strijd.

Persvrijheid voelde plots niet langer als een grondrecht uit een handboek

Persvrijheid klinkt in Europa soms vanzelfsprekend. Tot je merkt hoe kwetsbaar ze kan worden. Niet alleen door censuur. Ook door druk. Door intimidatie. Door economische belangen. Door oorlogsomstandigheden. Door de verwachting dat kritiek tijdelijk moet zwijgen omdat nationale eenheid belangrijker zou zijn. Juist daar wordt journalistiek getest. Durf je vragen te blijven stellen wanneer niemand die vragen wil horen? Durf je documenten publiceren die ongemakkelijk zijn? Durf je onderzoeken wanneer macht zegt dat dit niet het moment is? Ik voelde respect voor mensen die daarop dagelijks een antwoord moeten geven.

Ik keek naar de tafel en dacht: hier kan vertrouwen later beslissend worden

Nog maar enkele uren eerder waren velen van ons vreemden. Nu zaten we samen in Kiev. Internationale journalisten. Verschillende talen. Verschillende media. Verschillende achtergronden. Maar onderzoeksjournalistiek leeft vaak van vertrouwen. Van een contact in een ander land. Van iemand die een register kan raadplegen dat jij niet kent. Van een collega die een bedrijfsstructuur herkent. Van iemand die een naam kan plaatsen. Tegelijk mag vertrouwen nooit blind worden. Ook collega’s moeten elkaar controleren. Juist dat maakte die eerste kennismaking belangrijker dan een gewone lunch. Wij waren misschien bezig met eten, maar eigenlijk werd hier een netwerk opgebouwd voor verhalen die veel groter kunnen zijn dan één redactie.

Indegazette.be zat er middenin — en ik voelde de verantwoordelijkheid zwaar op mijn schouders

Ik dacht aan de weg die Indegazette.be had afgelegd. Een onafhankelijke Belgische nieuwswebsite, nu geselecteerd voor een internationale journalistieke reis in Kiev. Dat voelde als erkenning. Maar tegelijkertijd dacht ik: nu moet ik dit ook waard zijn. Nu moet ik observeren als een onderzoeksjournalist. Nu mag ik niets gemakkelijk aannemen. Nu moet iedere beschrijving kloppen. Nu kan ik niet achteraf zeggen dat ik iets verkeerd begreep omdat de omstandigheden indrukwekkend waren. Hoe sensationeler de werkelijkheid, hoe minder een journalist zelf moet verzinnen. Dat besef voelde als druk op mijn borst.

Mijn adrenaline zakte niet. Ze veranderde van vorm.

In het begin was het vooral de gedachte aan veiligheid. Wat als er alarm komt? Later werd het journalistieke spanning. Wat als ik iets mis? Wat als een detail belangrijk blijkt? Wat als iemand iets zegt wat achteraf cruciaal is? Wat als ik onvoldoende doorvraag? Je voelt dat je voortdurend alert moet zijn. Niet alleen voor gevaar buiten, maar ook voor fouten in je eigen waarneming. Mijn ogen gingen sneller van persoon naar persoon. Mijn oren probeerden ieder woord op te vangen. Mijn telefoon lag binnen handbereik. Mijn hoofd maakte voortdurend notities, zelfs wanneer mijn pen stil lag.

Het bizarre was dat alles tegelijkertijd gewoon doorging

Mensen aten. Bestek tikte tegen borden. Er werden namen uitgewisseld. Er waren glimlachen. Op sommige momenten had ik mezelf bijna kunnen wijsmaken dat we in eender welke Europese hoofdstad zaten. Maar dan viel opnieuw zo’n woord. Shelter. Oorlogsmisdaad. Bucha. Persvrijheid. Corruptie. En meteen was dat veilige beeld weg. Het voelde alsof de werkelijkheid voortdurend twee gezichten liet zien. Het ene zei: alles gaat verder. Het andere fluisterde: vergeet geen seconde waar je bent.

Ik merkte dat ik zelfs naar geluiden begon te luisteren

Een deur. Een telefoon. Een geluid buiten. Niets bijzonders. Toch registreerde ik het. Dat is wat spanning met je doet. Je wordt alerter dan nodig. Je hersenen proberen ieder signaal te beoordelen. Is dit normaal? Betekent dit iets? Natuurlijk gebeurde er niets dramatisch. Maar misschien zat de echte spanning precies daarin. Je weet dat iets kán gebeuren. Je weet niet wanneer. Je weet niet of. En ondertussen moet je gewoon doorgaan.

Geen schrijver had deze spanning hoeven uitvinden

In een roman zou dit het moment zijn waarop de auteur een dreigend geluid laat horen. Een sirene. Een explosie in de verte. Mensen die opspringen. Maar de werkelijkheid heeft geen scenarist nodig. Het feit dat je weet dat zoiets mogelijk is, is genoeg. Het feit dat veiligheidsprocedures bestaan, is genoeg. Het feit dat mensen in deze stad dat risico al jaren dragen, is genoeg. Ik hoefde niets te verzinnen om spanning te voelen. Mijn lichaam had de boodschap allang begrepen.

Ik voelde angstzweet, maar ik wilde geen seconde missen

Dat was het paradoxale. Een deel van mij wilde weten waar de uitgang was. Een ander deel wilde dichterbij. Meer horen. Meer begrijpen. Meer zien. Dat is misschien de vreemde aantrekkingskracht van journalistiek. Je zoekt plekken op waarvan ieder normaal instinct zegt dat je er beter afstand van kunt houden. Niet omdat je gevaar zoekt, maar omdat waarheid vaak niet vanzelf naar je bureau komt. Soms moet je naar de plek waar het schuurt. Waar de verhalen pijn doen. Waar macht zich niet graag laat onderzoeken.

En ergens tijdens die lunch besefte ik: dit kan mij veranderen

Niet omdat ik mezelf belangrijk wilde maken. Integendeel. Hier voelde ik mij kleiner dan ooit. Ik dacht aan collega’s die dagelijks onder deze omstandigheden werken. Aan mensen die dit niet ervaren als een uitzonderlijke reis, maar als hun beroep. Ik dacht aan slachtoffers voor wie termen als oorlogsmisdaden geen journalistieke categorieën zijn, maar persoonlijke geschiedenis. Ik dacht aan families die namen op herdenkingsmuren herkennen. En ik voelde dat ik waarschijnlijk anders naar oorlogsjournalistiek zou kijken wanneer ik terug naar België ging.

Aan tafel begon de reis, maar de spanning zat al onder mijn huid

We hadden nog maar net kennisgemaakt. Toch voelde het alsof ik al uren op scherp stond. De nachttrein zat nog in mijn lichaam. De vermoeidheid ook. Maar adrenaline hield mij alert. Iedere naam die viel, leek een deur naar een zwaarder verhaal te openen. Iedere uitleg riep nieuwe vragen op. Iedere stilte gaf mijn hoofd ruimte om opnieuw te beseffen waar ik zat.

Bucha was geen woord meer. Irpin geen stip op een kaart. Kiev geen titel boven een artikel.

Dat is misschien wat mij het hardst trof. Afstand beschermt. Een scherm beschermt. Een kaart beschermt. Wanneer die afstand verdwijnt, verandert journalistiek. De woorden krijgen gewicht. De plaatsen krijgen temperatuur. Het verhaal krijgt gezichten. En de journalist voelt zichzelf plots veel minder onaantastbaar.

Ik wist dat ik moest blijven kijken, ook wanneer mijn instinct mij soms het tegenovergestelde vertelde

Dat werd mijn opdracht. Niet wegkijken. Niet meegesleept worden. Niet dramatiseren wat al dramatisch genoeg is. Maar ook niet doen alsof ik niets voelde. Ik voelde angst. Ik voelde spanning. Ik voelde mijn hartslag. Ik voelde het zweet. Ik voelde nieuwsgierigheid. En boven alles voelde ik een enorme verantwoordelijkheid om later te schrijven wat ik werkelijk had gezien en gehoord.

Want hier kan een spannend verhaal nooit belangrijker zijn dan de waarheid

Dat klinkt misschien vreemd in een artikel dat barst van spanning. Maar juist daarom moet het gezegd worden. De spanning hoeft hier niet verzonnen te worden. De werkelijkheid levert haar zelf. De oorlog is echt. De risico’s zijn echt. De journalisten zijn echt. De slachtoffers zijn echt. De corruptiedossiers zijn echt. De druk op onafhankelijke media is echt. Het enige wat ik als journalist moet doen, is zorgen dat mijn woorden die werkelijkheid niet vervormen.

Aan die tafel voelde ik voor het eerst hoe dun de muur is tussen journalistieke nieuwsgierigheid en menselijke angst

Ik had kunnen zeggen dat ik volledig kalm was. Dat zou stoer klinken. Het zou ook niet kloppen. Ik was nerveus. Mijn lichaam stond op scherp. Ik dacht vaker dan normaal aan veiligheid. Ik keek anders naar deuren. Ik reageerde anders op geluiden. Maar misschien maakte precies dat mij bewuster van mijn verantwoordelijkheid. Angst hoeft een journalist niet te verlammen. Ze kan hem ook dwingen scherper te kijken.

En toen drong de zwaarste gedachte door: voor mij was dit uitzonderlijk, voor anderen was dit dinsdag

Dat deed bijna pijn. Ik kon enkele dagen later terugkeren. Veel mensen hier konden dat niet. Zij wonen hier. Zij werken hier. Zij sturen hun kinderen hier naar school. Zij plannen hun afspraken terwijl ze weten dat een luchtalarm een dag kan onderbreken. Zij schrijven hun onderzoeken terwijl hun land wordt aangevallen. Wat voor mij spanning was, was voor hen routine geworden. Dat besef maakte mijn eigen nervositeit plots bijna beschamend klein.

Toch verdween de angst niet

Ze bleef ergens onder de oppervlakte. Niet als paniek. Meer als een constante elektrische stroom. Een lichte spanning in mijn spieren. Een versnelling van mijn ademhaling wanneer het gesprek opnieuw over veiligheid ging. Een reflex om mijn telefoon te controleren. Een aandacht voor details waar ik thuis waarschijnlijk aan voorbij zou gaan.

De lunch eindigde, maar in mijn hoofd was iets begonnen dat niet meer stopte

Ik wist dat ik later over deze dag zou schrijven. Ik wist alleen nog niet hoe ik dat gevoel moest beschrijven. Misschien zo: je zit aan tafel, maar in je hoofd sta je voortdurend op. Je luistert naar gesprekken, maar tegelijk luister je naar de stad. Je eet, maar je maag blijft gespannen. Je maakt kennis, maar je denkt al aan vragen waarop misschien geen eenvoudige antwoorden bestaan.

Geen fictie had mij harder kunnen raken dan de werkelijkheid

In een oorlogsroman kan de schrijver bepalen wanneer de spanning stijgt. Wanneer het gevaar komt. Wanneer de lezer even adem krijgt. Hier bepaalt niemand dat. Het leven gaat door. Misschien gebeurt er niets. Misschien verandert alles. Die onzekerheid is geen literaire truc. Ze is de werkelijkheid waarin miljoenen Oekraïners leven.

En precies daarom kon ik mijn ogen niet van dit verhaal afhouden

Ik wilde weten hoe journalisten onder deze druk blijven werken. Hoe zij bewijzen verzamelen. Hoe zij corruptie onderzoeken. Hoe zij hun bronnen beschermen. Hoe zij omgaan met angst. Hoe zij de grens bewaken tussen betrokkenheid en onafhankelijkheid. Hoe zij ’s avonds naar huis gaan nadat ze de hele dag verhalen hebben onderzocht die niemand eigenlijk zou willen meemaken.

Dit was geen welkomstlunch meer. Dit was de drempel.

Een tafel. En daarachter een wereld van oorlogsmisdaden, macht, corruptie, bewijs, propaganda en persvrijheid. Ik voelde dat ik over die drempel heen stapte. Niet als soldaat. Niet als politicus. Niet als hulpverlener. Als journalist. Met niets anders dan vragen, een telefoon, notities en de plicht om de waarheid niet uit het oog te verliezen.

Toen ik van tafel opstond, was Kiev niet langer een bestemming. Het was een waarschuwing.

Een waarschuwing dat journalistiek soms plaatsvindt waar veiligheid niet gegarandeerd is. Dat waarheid soms moet worden gezocht terwijl propaganda harder schreeuwt. Dat onafhankelijke media juist nodig zijn wanneer macht liever geen vragen krijgt. Dat een journalist soms angst voelt en toch moet blijven luisteren.

Bronnen:
Study Visit to Kyiv Programme– European Investigative Journalists — CORRECTIV.Europe Network
CORRECTIV.Europe – https://correctiv.org/en/europe/

Andy Vermaut +32499357495
Als je een probleem hebt met de inhoud van een artikel, kan je me altijd mailen op info@indegazette.be – best zo weinig mogelijk mensen in cc zetten, want anders komt dit in de spamfilter terecht. Voor elk artikel geldt een recht op antwoord van betrokkenen tot 3 maanden na publicatie van het artikel. AI wordt gebruikt als redactioneel hulpmiddel. De journalist controleerde de inhoud en feiten.