EU en India zoeken in Brussel naar handel die ook werkt

9 juni 2026
BRUSSEL – In Novotel Brussels Off Grand Place, aan de Rue du Marché aux Herbes 120 in 1000 Brussel, vond op dinsdag 9 juni 2026, van 15.30 tot 18.30 uur, een besloten bijeenkomst plaats van India Salon Brussels. Centraal stond het Comprehensive Free Trade Agreement tussen de Europese Unie en India, een akkoord dat niet alleen over tarieven gaat, maar ook over markttoegang, duurzaamheid, investeringen, regelgeving, arbeidsmobiliteit, culturele kennis en de vraag hoe twee grote economische ruimtes elkaar beter kunnen begrijpen. Het evenement bracht een beperkte groep bedrijfsleiders, ondernemers, beleidsmensen, adviseurs, academici en India-kenners samen rond één praktische vraag: hoe wordt een handelsakkoord tussen de EU en India een werkbare economische relatie voor bedrijven, werknemers, landbouwers en consumenten?
Een handelsakkoord met brede inzet
De bijeenkomst vertrok vanuit de vaststelling dat de economische band tussen de Europese Unie en India groter kan worden dan vandaag het geval is. India Salon Brussels plaatste het vrijhandelsakkoord in een brede context: beide zijden vertegenwoordigen samen een groot deel van de wereldbevolking en de wereldeconomie, maar de feitelijke handelsstroom blijft kleiner dan wat op basis van die schaal verwacht wordt. Het akkoord moet daar verandering in brengen, al werd in Brussel meteen duidelijk dat een ondertekende tekst niet automatisch tot meer handel leidt. Bedrijven moeten weten welke producten toegang krijgen, welke documenten nodig zijn, welke sectoren baat hebben bij lagere invoerrechten, welke eisen blijven gelden en waar de gevoeligheden zitten. Het akkoord gaat over goederen en diensten, maar ook over investeringen, intellectuele eigendom, duurzaamheid, oorsprongsregels, overheidsopdrachten en samenwerking rond normen. Daarmee wordt het geen klassiek handelsdossier voor alleen juristen of douane-experts, maar een kader dat ondernemers aan beide kanten raakt.
Een kleine zaal met grote vragen
India Salon Brussels werd voorgesteld als een reeks maandelijkse, zorgvuldig samengestelde bijeenkomsten op uitnodiging. Het opzet is bewust kleinschalig. Per bijeenkomst worden ongeveer 15 tot 20 deelnemers samengebracht in een setting waarin korte inleidingen worden afgewisseld met een open gesprek. Dat format verwijst naar de historische salontraditie, waarin denkers, ondernemers en beleidsmensen samenkwamen om ideeën uit te wisselen buiten de klassieke vergaderzaal. De organisatoren wilden geen bijeenkomst waarbij enkele sprekers alleen zenden en de rest luistert. De aanwezigen werden gevraagd hun eigen ervaring met India, Europa, handel, regelgeving en cultuur in te brengen. Daardoor verschoof het gesprek geregeld van grote geopolitieke vragen naar zeer concrete hindernissen, zoals trage e-mailcommunicatie, productcertificaten, families van expats, pesticidenresiduen, lokale gewoonten en de noodzaak om in India aanwezig te zijn in plaats van alleen vanuit Europa plannen te sturen.
Europa kent modern India te weinig
Een van de eerste boodschappen was dat India in Europa nog te vaak wordt bekeken door verouderde beelden. In de zaal werd aangehaald dat veel Europeanen nauwelijks weten hoe snel India de voorbije jaren technologisch en economisch is veranderd. De Indiase maanmissie werd genoemd als voorbeeld van een prestatie die in Europa bij veel mensen weinig bekend is, hoewel India met eigen technologie een opvallende ruimtevaartprestatie neerzette tegen een veel lagere kost dan klassieke ruimtevaartprogramma’s. Dat gebrek aan kennis werkt door in de zakenwereld. Wie India alleen ziet als een lagekostenland, mist de schaal van zijn binnenlandse markt, de groei van zijn industrie, de digitale vooruitgang, de opkomst van nieuwe ondernemers en de technische vaardigheden die in verschillende sectoren aanwezig zijn. De deelnemers kregen daarom de duidelijke boodschap dat Europeanen beter geïnformeerd moeten worden over modern India, over de snelheid van verandering en over de zakelijke kansen die ontstaan wanneer men niet alleen naar prijs, maar ook naar capaciteit, kennis en ondernemerschap kijkt.
Brussel als beleidsplek
De keuze voor Brussel was niet toevallig. De stad ligt dicht bij de Europese Commissie, het Europees Parlement, handelsvertegenwoordigingen, belangenorganisaties, diplomatieke netwerken en sectorfederaties. India Salon Brussels wil die positie gebruiken om niet alleen over het akkoord te spreken, maar ook om te onderzoeken welke praktische stappen nodig zijn om samenwerking beter te laten werken. In de opening werd verwezen naar het belang van de band met Europese instellingen. Die band is nodig omdat het vrijhandelsakkoord niet losstaat van regelgeving, duurzaamheid, arbeidsmarktbeleid, investeringen en de manier waarop Europa economische macht uitoefent. Voor Indiase bedrijven is Brussel niet alleen de hoofdstad van België, maar ook een plaats waar de regels worden voorbereid die later invloed hebben op toegang tot de Europese markt. Voor Europese bedrijven is Brussel een plaats waar ze beter kunnen begrijpen hoe India als markt, partner en productieland verandert.
Van politieke tekst naar marktkans
Een spreker schetste hoe de onderhandelingen over het EU-India-akkoord werden hernomen en uiteindelijk tot een onderhandelingstekst hebben geleid. In de bespreking werd uitgegaan van een verdere juridische afwerking, gevolgd door de nodige Europese procedures. De timing werd besproken in termen van maanden en van mogelijke stappen richting Europese besluitvorming later in het jaar. Belangrijker dan die kalender was de inhoudelijke boodschap: de tekst moet door bedrijven worden begrepen, anders blijft het akkoord op afstand van de praktijk. De deelnemers kregen te horen dat sectororganisaties, ondernemingen en overheden aan beide kanten moeten uitleggen wat markttoegang betekent, waar investeringskansen liggen en welke regels ondernemingen tijdig moeten kennen. Een handelsakkoord is pas nuttig wanneer bedrijven weten hoe ze het kunnen gebruiken.
Tarieflijnen en gevoelige sectoren
In de toelichting werd verwezen naar hoge percentages van tarieflijnen en handelswaarde die in het akkoord aan bod komen. Daarbij werd gesproken over een breed aanbod, met aan Europese zijde kansen voor sectoren zoals auto’s, machines en elektronica, en aan Indiase zijde kansen voor textiel, farmaceutische producten en maritieme producten. Tegelijk werd duidelijk gemaakt dat het akkoord niet blind alle sectoren opent. Gevoelige sectoren blijven onderwerp van voorzichtigheid. Beide zijden hebben domeinen waarvoor politieke, sociale of economische terughoudendheid bestaat. Dat maakte het akkoord in de ogen van de deelnemers niet zwakker, maar realistischer. Handel werkt alleen als de belangen van beide kanten voldoende zijn meegenomen. Het akkoord werd daarom omschreven als commercieel betekenisvol, maar niet als een eenzijdige toegeving van de ene partij aan de andere.
Geen handel zonder duurzaamheid
Een groot deel van de bijeenkomst ging over duurzaamheid als toegangspoort tot de Europese markt. Daarbij werd duidelijk gemaakt dat moderne handel niet langer kan worden gereduceerd tot een product, een prijs en een levering. Bedrijven moeten aantonen dat hun goederen geen schade veroorzaken aan natuur, water, bodem, biodiversiteit of arbeidsomstandigheden. Europese klanten en toezichthouders kijken niet alleen naar het eindproduct, maar ook naar de keten erachter. Wie aan Europese consumenten wil verkopen, moet steeds vaker kunnen bewijzen hoe een product is gemaakt, welke grondstoffen zijn gebruikt, welke uitstoot ontstaat, welke arbeidsvoorwaarden gelden en of groene beweringen controleerbaar zijn. Voor Indiase exporteurs is dat een grote opdracht, maar ook een kans. Wie vroeg begint met degelijke documentatie, kan sneller toegang krijgen tot veeleisende klanten.
Regelgeving als Europese macht
De Europese Unie werd in Brussel niet voorgesteld als een klassieke macht met één leger, één nationale identiteit of een grote centrale begroting, maar als een macht die via regels werkt. Die vaststelling kreeg veel aandacht. Europa bepaalt standaarden doordat bedrijven die toegang willen tot de Europese markt zich aan Europese normen moeten aanpassen. Dat effect reikt verder dan de EU-grenzen. Een bedrijf dat voor Europa produceert, past vaak zijn volledige productieketen aan, omdat het te duur of te onpraktisch is om aparte productiestromen te organiseren. Daarmee wordt regelgeving een economisch instrument. Voor Indiase bedrijven is dat niet alleen een hindernis, maar ook een waarschuwing: wie Europese regels negeert, verliest mogelijk toegang; wie ze vroeg begrijpt, kan ze gebruiken als kwaliteitsbewijs.
Rapportering dringt door tot kleinere bedrijven
De deelnemers bespraken hoe Europese duurzaamheidsrapportering in de praktijk niet beperkt blijft tot grote ondernemingen. Ook als regels rechtstreeks vooral grote bedrijven raken, vragen die grote bedrijven informatie aan hun leveranciers. Daardoor komen kleinere spelers in de keten vroeg of laat toch in aanraking met gegevens over uitstoot, herkomst, arbeid, milieu-impact en controleerbaarheid. Scope 1, scope 2 en scope 3 kwamen aan bod als manier om eigen uitstoot, aangekochte energie en bredere keteneffecten te bekijken. Ook initiatieven rond carbon disclosure, ketenzorg en due diligence werden besproken. De praktische boodschap was helder: een klein bedrijf dat vandaag geen wettelijke rapportageplicht heeft, kan morgen toch informatie moeten leveren omdat een grote klant die gegevens nodig heeft. Wie dat pas op het laatste moment organiseert, komt onder druk.
Groene beweringen moeten bewijsbaar zijn
De discussie over groene beweringen kreeg een concreet karakter. Als een product in Europa als biologisch, klimaatvriendelijk, natuurvriendelijk of koolstofarm wordt aangeboden, moet de producent of verkoper dat met bewijs kunnen ondersteunen. Anders dreigen klachten, sancties of verlies van geloofwaardigheid. Er werd verwezen naar voedingsproducten, chocolade, rijst, wijn en andere producten waarbij het etiket veel zegt, maar de keten daarachter soms minder duidelijk is. Een voorbeeld over wijn uit Nieuw-Zeeland maakte duidelijk dat een claim over een lage uitstoot op het niveau van de boerderij niet noodzakelijk geldt op het moment dat het product in een Europese winkel staat, omdat transport, distributie en opslag bijkomende uitstoot veroorzaken. Voor Indiase bedrijven betekent dit dat marketingtaal alleen niet genoeg is. Een sterk verhaal moet worden gedragen door cijfers, documenten en controleerbare processen.
Landbouw als test voor het akkoord
Landbouw kwam naar voren als een domein met veel kansen, maar ook met zware drempels. Europese regels rond pesticiden, meststoffen, residuen en voedselveiligheid maken toegang tot de markt moeilijk voor producenten die hun keten niet volledig onder controle hebben. Mango’s, kruiden, moringa, lotusproducten, natuurlijke teelt en biologische landbouw kwamen aan bod als voorbeelden van producten of sectoren waar India kansen heeft, maar waar de Europese markt strikte eisen stelt. In de discussie werd duidelijk dat landbouwexport niet stopt bij één boer of één bedrijf. Als omliggende landbouwers pesticiden gebruiken, kan dat gevolgen hebben voor de testresultaten van een producent die zelf zonder zulke middelen wil werken. Daardoor wordt export naar Europa ook een vraagstuk van lokale organisatie, begeleiding en samenwerking tussen producenten in dezelfde regio.
Moringa als concreet voorbeeld
Een van de meest tastbare voorbeelden ging over moringa. In de discussie werd geschetst hoe een producent die richting Europa wilde exporteren niet alleen zijn eigen teeltwijze moest aanpassen, maar ook boeren in de omgeving moest overtuigen. De reden was eenvoudig: wie een product als biologisch of residuvrij wil aanbieden, kan in de problemen komen wanneer de omgeving wel met pesticiden werkt. Door andere boeren mee te nemen in de omschakeling groeide een ruimer landbouwgebied rond dezelfde aanpak. In de zaal werd gesproken over ongeveer 100 acres aan teelt en over 50 metrische ton die richting Europa kon worden verkocht. Dat voorbeeld liet zien dat Europese markttoegang niet alleen papierwerk is. Het vraagt training, lokale motivatie, betere prijzen, marktzekerheid en een gedeeld belang tussen producenten.
Natuurlijke teelt en nieuwe inkomsten
Naast klassieke export kwam ook de vraag op of India een grotere rol kan spelen in natuurlijke landbouwmethoden, koolstofopslag en aanvullende inkomsten voor rurale gebieden. Hennep werd besproken als plant met diepe wortels die koolstof in de bodem kan vasthouden en ook gebruikt kan worden om vervuiling uit bodems te halen. Er werd gesproken over de mogelijkheid om gecertificeerde koolstofopslag te koppelen aan bijkomende inkomsten. Ook ideeën rond microplastics in water en het gebruik van bepaalde natuurlijke stoffen om die te binden kwamen aan bod als voorbeeld van hoe India soms vanuit andere denkpatronen naar milieuproblemen kijkt. Zulke ideeën vragen verdere studie en controle, maar de bespreking maakte duidelijk dat de samenwerking tussen EU en India niet alleen over exportvolumes hoeft te gaan. Ze kan ook draaien om landbouwkennis, bodemherstel, waterkwaliteit en nieuwe modellen voor rurale ontwikkeling.
Europa vraagt geduld van Indiase ondernemers
Een andere praktische boodschap kwam uit de hoek van markttoegang. Indiase ondernemers die Europa willen betreden, moeten rekening houden met compliance, credibility en consistency: voldoen aan regels, vertrouwen wekken en consequent blijven leveren. Daarbij werd geadviseerd om niet meteen heel Europa als één markt te behandelen. Een ondernemer kan beter beginnen met één land, één productcategorie en één duidelijke set vereisten. Wie in één Europese markt zijn documenten, certificaten, partners en klanten op orde heeft, kan daarna stap voor stap uitbreiden. Ook communicatie kwam aan bod. Europese bedrijven reageren soms traag, nemen lang de tijd voor beslissingen en werken met procedures die voor Indiase ondernemers frustrerend kunnen zijn. Tegelijk werd gesteld dat Europese zakenpartners, eenmaal ze voor een leverancier kiezen, vaak een duurzame relatie willen opbouwen. Dat vraagt geduld aan Indiase zijde.
Cultuur bepaalt mee of handel lukt
De bijeenkomst ging geregeld verder dan regels en tarieven. Culturele verschillen bleken minstens even belangrijk. India en Europa werden besproken als twee beschavingsruimtes met oude tradities, veel talen, regionale verschillen en sterke interne diversiteit. India werd niet alleen als natiestaat bekeken, maar ook als een samenleving met diepe historische lagen, religieuze invloeden, familielijnen en lokale identiteiten. Europa heeft eveneens zijn eigen politieke en culturele geschiedenis, met humanisme, individuele rechten, privacy, rechtsstaat en regelgeving als belangrijke bouwstenen. De vergelijking maakte duidelijk dat bedrijven niet alleen producten uitwisselen, maar ook verwachtingen. Wie zaken doet zonder die verwachtingen te kennen, vergroot de kans op misverstanden.
Dharma, familie en verantwoordelijkheid
Een culturele bijdrage draaide rond het verschil tussen het Europese accent op het individu en het Indiase accent op ingebedde verantwoordelijkheid. In de discussie werd het begrip dharma gebruikt om aan te geven dat een mens in India vaker wordt gezien binnen een web van verplichtingen tegenover familie, beroep, land en samenleving. Dat verschilt van de Europese traditie waarin individuele rechten, persoonlijke keuze, privacy en autonomie sterker centraal staan. Die verschillen hoeven samenwerking niet te hinderen, maar ze moeten wel worden begrepen. In zakelijke relaties kunnen ze invloed hebben op besluitvorming, loyaliteit, onderhandeling, gezinskeuzes en de manier waarop risico’s worden genomen. De deelnemers zagen familie niet als detail, maar als economisch gegeven. Zowel India als Europa kennen sterke familiebedrijven, maar de plaats van familie in het dagelijks leven en in zakelijke keuzes kan sterk verschillen.
Expats falen niet alleen op kantoor
Het gesprek over cultuur werd zeer concreet bij de bespreking van expats en ondernemers die naar India trekken. Er werd aangehaald dat een aanzienlijk deel van buitenlandse ondernemers of medewerkers India binnen enkele jaren opnieuw verlaat en dat culturele verschillen vaak zwaarder wegen dan verwacht. De moeilijkheden liggen niet alleen in vergaderingen of kantoren. Ze ontstaan ook in het dagelijkse leven: huisvesting, scholen, de positie van partners, diensten, verkeer, omgangsvormen en het zoeken naar een sociaal vangnet. Vooral partners van uitgezonden werknemers kunnen in de problemen komen wanneer ze zelf geen duidelijk werkrecht of rol hebben. De conclusie was dat bedrijven voorbereiding niet mogen uitstellen tot na aankomst. Interculturele training, begeleiding voor gezinnen en realistische informatie over het leven in India moeten vooraf worden geregeld.
India is geen uniforme markt
Tijdens de discussie werd herhaald dat India niet als één homogene markt mag worden behandeld. Deelstaten verschillen sterk in taal, infrastructuur, koopkracht, bestuur, zakelijke cultuur, voeding, gewoonten en reactiesnelheid. Een voorbeeld over Noord- en Zuid-Indiase eetgewoonten maakte duidelijk hoe snel misverstanden kunnen ontstaan wanneer men uitgaat van één nationale stijl. Ook in bedrijven en investeringsprojecten geldt dat een aanpak die in één regio werkt, elders kan mislukken. Europese bedrijven die India betreden, moeten daarom lokale partners ernstig nemen en niet verwachten dat een centraal Europees model zonder aanpassing werkt. India vraagt nabijheid, studie en lokale besluitvorming.
De les van Japan en Korea
Een van de sterkste zakelijke boodschappen ging over langetermijninvesteringen. In de zaal werd het verschil gemaakt tussen bedrijven die India bekijken als een project van vier of vijf jaar en bedrijven die denken in periodes van 30 tot 40 jaar. Japanse en Koreaanse ondernemingen werden genoemd als voorbeelden van partijen die zich diep in India hebben verankerd. Merken als Maruti Suzuki, Toyota en Koreaanse consumentengoederenbedrijven werden aangehaald om te tonen dat succes niet komt door afstandelijke planning, maar door integratie in de lokale markt. Zulke bedrijven pasten zich aan, bouwden systemen, kozen lokale teams en leerden hoe India werkt. Europese bedrijven zouden volgens meerdere deelnemers te vaak kijken naar snelle rendementen, spreadsheets en rapporten, terwijl India geduld, aanwezigheid en aanpassing vraagt.
Europese bedrijven moeten landen in India
De kritiek op Europese bedrijfsvoering was duidelijk. Vanuit Europa e-mails sturen, PowerPoints maken en financiële verwachtingen opleggen is onvoldoende wanneer men India echt wil begrijpen. Een voorbeeld uit België ging over een ondernemer uit de software- en ERP-sector die met zijn gezin naar India trok, zijn kinderen daar naar school liet gaan, het land van binnenuit leerde kennen en daarna een Indiaas managementteam verantwoordelijkheid gaf. Het voorbeeld werd gebruikt om te tonen dat zakelijke kennis niet alleen uit marktrapporten komt. Wie in India woont, reist, onderhandelt, problemen oplost en lokale medewerkers vertrouwt, bouwt andere inzichten op. Voor Europese ondernemingen kan dat het verschil maken tussen een mislukte marktverkenning en een werkbare aanwezigheid.
Arbeidsmobiliteit als brug
Ook arbeidsmobiliteit kreeg een plaats in het debat. Er werd gewezen op grote tekorten op de Europese arbeidsmarkt en op het feit dat veel Indiase werknemers in andere regio’s, zoals Dubai, werken voor lonen die in Europa niet dezelfde sociale bescherming bieden. België werd genoemd als voorbeeld van een land met een sterker sociaal stelsel, al is toegang tot werk en verblijf uiteraard gebonden aan officiële regels. De aanwezigen bespraken dat Indiase werknemers die legaal naar Europa komen, niet alleen vacatures kunnen helpen invullen, maar ook economische bruggen kunnen bouwen. Mensen die in Europa wonen en werken, zien nieuwe handelsmogelijkheden, leggen contacten en begrijpen beide kanten beter. Omgekeerd werd ook gesteld dat Europeanen die in India willen werken of ondernemen betere begeleiding nodig hebben.
Van werk naar handel
De koppeling tussen werk en handel was een belangrijk inzicht. Arbeidsmigratie werd niet alleen gezien als oplossing voor vacatures, maar ook als motor voor nieuwe zakelijke relaties. Indiase professionals in Europa kunnen Europese bedrijven helpen India beter te begrijpen. Europese werknemers of ondernemers in India kunnen hetzelfde doen in de andere richting. De bijeenkomst maakte duidelijk dat een handelsakkoord niet losstaat van mensen die reizen, werken, studeren, gezinnen meenemen, opleidingen volgen en netwerken opbouwen. Handel wordt vaak voorgesteld als goederenstroom, maar in de praktijk ontstaat vertrouwen via mensen.
Vaardigheden als economische troef
India werd ook besproken als land waar veel technische en ambachtelijke vaardigheden nog sterk aanwezig zijn. In Europa zijn sommige vaardigheden verzwakt of verdwenen door industrialisering, uitbesteding en veranderende arbeidsmarkten. Textiel, khadi, natuurlijke verfstoffen, landbouw, voedselverwerking, digitale diensten en ambachtelijke productie kwamen naar voren als domeinen waarin India kennis heeft die voor Europa waardevol kan zijn. Tegelijk moet die kennis worden vertaald naar documenten, certificaten en kwaliteitsnormen die Europese klanten begrijpen. De uitdaging is dus niet alleen produceren, maar ook aantonen, uitleggen en betrouwbaar leveren.
Jongeren, opleiding en sociale stijging
In het gesprek werd ook gewezen op de rol van opleiding en vaardigheidstraining in India. Er werd gesproken over programma’s die jongeren via zes maanden tot een jaar beroepsopleiding naar werk proberen te leiden. Zulke trajecten kunnen jonge mensen in contact brengen met internationale of Indiase bedrijven en hen later laten doorgroeien op basis van prestaties. De deelnemers plaatsten dat binnen een bredere discussie over sociale vooruitgang, landbouwinkomens, plattelandsontwikkeling en de vraag hoe handel uiteindelijk gewone mensen bereikt. Het doel van economische groei werd niet beperkt tot winst voor ondernemingen. De vraag kwam op tafel of akkoorden ook leiden tot werk, betere inkomens en kansen voor mensen buiten de grote steden.
Dorpen als alternatief voor megasteden
Een bijzonder voorbeeld ging over het creëren van technologisch werk in dorpen. Daarbij werd verwezen naar initiatieven die werkgelegenheid buiten grote stedelijke centra willen brengen. Bangalore werd aangehaald als stad die in enkele decennia zeer sterk groeide door de concentratie van banen, met druk op infrastructuur, huisvesting en mobiliteit als gevolg. De gedachte achter dorpsgerichte tewerkstelling is dat kenniswerk niet altijd naar de metropool hoeft te trekken. Als technologiebedrijven werk naar dorpen brengen, kunnen gezinnen dichter bij hun sociale netwerk blijven en kan de druk op grote steden dalen. Dat idee sluit aan bij de bredere discussie over het Indiase sociale weefsel, waarin familie, zorg voor ouderen en gedeelde verantwoordelijkheid een grote rol spelen.
Europa kan ook van India leren
De bijeenkomst draaide niet alleen om de vraag hoe India zich aan Europa moet aanpassen. Er werd ook gesteld dat Europa van India kan leren. India heeft ervaring met grote schaal, veel talen, uiteenlopende regio’s, informele netwerken, familiebedrijven, ondernemerschap onder druk en snelle aanpassing. Europa daarentegen is sterk in regels, consumentenbescherming, mensenrechten, privacy, productnormen en institutionele procedures. De uitdaging ligt in het samenbrengen van die sterktes. India kan baat hebben bij Europese duidelijkheid rond standaarden, terwijl Europa kan leren van Indiase flexibiliteit, ondernemingszin en vermogen om met grote verschillen te werken.
Studenten en beeldvorming
Beeldvorming kwam terug in de discussie over studenten en media. Er werd aangehaald dat Europese studenten vaak kritische vragen stellen over arbeidsomstandigheden, lonen en mensenrechten in India, terwijl ze tegelijk goedkope mode kopen in Europese winkelketens. Die spanning toont hoe moeilijk het debat over handel is. Consumenten willen ethische productie, maar lage prijzen blijven aantrekkelijk. Door studenten, ondernemers en sprekers met elkaar in contact te brengen, kan het beeld genuanceerder worden. Niet omdat kritiek moet verdwijnen, maar omdat handel pas eerlijk besproken kan worden wanneer beide kanten hun eigen rol onder ogen zien. Reizen, bedrijfsbezoeken en contact met lokale ondernemers werden gezien als manieren om stereotiepe beelden af te bouwen.
Eicbi als partner in de dialoog
Het Europe India Center for Business and Industry trad op als institutionele partner van India Salon Brussels. De aanwezigheid van die partner gaf de bijeenkomst een duidelijke economische en beleidsmatige invalshoek. In de zaal waren mensen aanwezig met ervaring in kamers van koophandel, export, import, public policy, technologie, diplomatieke netwerken, onderzoek, businessclubs en advies rond markttoegang. Dat maakte het gesprek breed. Niet één sector domineerde. Dezelfde vraag kwam telkens terug vanuit verschillende hoeken: hoe kunnen Europese en Indiase bedrijven elkaar sneller begrijpen zonder de juridische, culturele en praktische moeilijkheden te onderschatten?
Niet alleen tarieven
De kern van de bijeenkomst was dat het EU-India-vrijhandelsakkoord niet mag worden vernauwd tot tariefverlaging. Tarieven zijn belangrijk, maar ze zijn maar één deel van de toegang tot een markt. Een bedrijf kan lagere invoerrechten krijgen en toch vastlopen op residunormen, etikettering, traceerbaarheid, duurzaamheidsclaims, financiering, cultuurverschillen of trage besluitvorming. Omgekeerd kan een bedrijf met sterke documenten, goede relaties en duidelijke productkwaliteit juist voordeel halen uit de Europese strengheid. Voor Indiase exporteurs kan Europa een moeilijke, maar waardevolle markt zijn. Voor Europese bedrijven kan India een grote, snel veranderende markt zijn, maar alleen als ze bereid zijn hun aanpak aan te passen.
Een akkoord met menselijke gevolgen
In Brussel werd het vrijhandelsakkoord uiteindelijk besproken als iets dat verder gaat dan cijfers. Het raakt boeren die hun teeltwijze moeten veranderen, ondernemers die leren hoe Europese certificering werkt, werknemers die kansen zoeken, gezinnen die verhuizen, studenten die hun beeld van India bijstellen, Belgische bedrijven die India beter moeten begrijpen en Indiase bedrijven die Europa niet als één eenvoudige markt mogen zien. De waarde van India Salon Brussels lag daardoor in de praktische laag onder het grote politieke verhaal. Het akkoord kan nieuwe handelsstromen openen, maar de echte toets ligt bij mensen die het moeten uitvoeren.
Bronnen:
Uitnodiging India Salon Brussels, The Comprehensive Free Trade Agreement Between the EU and India
Verslag van de bijeenkomst India Salon Brussels van dinsdag 9 juni 2026
Europe India Center for Business and Industry
indiasalon.eu – Dank aan Dipali de Beco
Andy Vermaut +32499357495 (Als je een probleem hebt met de inhoud van een artikel, kan je me altijd mailen op info@indegazette.be – best zo weinig mogelijk mensen in cc zetten, want anders komt dit in de spamfilter terecht. Voor elk artikel geldt een recht op antwoord van betrokkenen tot 3 maanden na publicatie van het artikel. AI wordt gebruikt als redactioneel hulpmiddel. De journalist controleerde de inhoud en feiten.)


