Europa zoekt houvast tussen veiligheid en concurrentiekracht

10 december 2025

Tijdens een publiek debat over het nieuwe Europese competitivititeitsfonds stond één vraag centraal: hoe blijft Europa open voor handel en ideeën, terwijl het zich tegelijk beter wapent tegen geopolitieke spanningen? Economen, beleidsmakers en vertegenwoordigers van het bedrijfsleven gingen in op de spanning tussen economische veiligheid en concurrentievermogen, en legden uit hoe het voorgestelde fonds volgens hen kan helpen – of juist kan ontsporen.

Openheid als motor, veiligheid als noodrem

Volgens econoom Aslak, mede-auteur van een nieuwe studie in opdracht van een Europese denktank, staat Europa voor een fundamentele keuze. De Unie kent al een decennium trage groei, terwijl de Verenigde Staten de toon zetten in sectoren die bepalend zijn voor de economie van morgen. China heeft intussen zijn achterstand op Europa bijna weggewerkt en dringt steeds verder door in sectoren waar Europese producenten vandaag nog sterk staan. Europa zit daardoor klem tussen een Amerikaanse economie die vooruitloopt op het vlak van innovatie en een Chinese economie die snel terrein wint in bestaande industrieën.

Tegelijk is de Europese economie uitgesproken handelsafhankelijk: ongeveer zeventig procent van de handel gaat met andere partners dan de Verenigde Staten en China, wat grote kansen biedt voor diversificatie, maar ook nieuwe kwetsbaarheden blootlegt.

Aslak schetste hoe die economische structuur twee tegenstrijdige logica’s creëert. Voor productiviteitsgroei zijn open markten, technologische verspreiding en buitenlandse investeringen onmisbaar. Maar de toegenomen spanningen tussen grootmachten, de politisering van handel en dalend vertrouwen op wereldschaal leiden ertoe dat regeringen meer gewicht geven aan zelfredzaamheid, strategische voorraden en controle over kritieke toeleveringsketens. De kernvraag, zo stelde hij, is of Europa die twee doelstellingen – groei en zekerheid – tegelijk kan nastreven zonder zichzelf vast te rijden.

Een fonds dat veel moet kunnen, maar nog vaag blijft

Centraal in het debat stond het Europese competitivititeitsfonds, een voorstel van de Europese Commissie dat veertien bestaande programma’s moet bundelen in één groot financieringsinstrument. Op papier moet het fonds zowel de concurrentiekracht van de Unie versterken als risicovolle afhankelijkheden verminderen. In de ontwerptekst worden economische veiligheid en concurrentievermogen echter sterk door elkaar gehaald, waarschuwden de auteurs van het rapport. Zij vrezen dat een ruim gedefinieerd begrip van ‘strategische autonomie’ de deur opent voor klassieke bescherming van sectoren die het moeilijk hebben, terwijl het fonds juist bedoeld is om toekomstgerichte investeringen te ondersteunen.

De onderzoekers zien positieve elementen in de bundeling van middelen, maar vinden dat de Commissie nu een te grote beoordelingsvrijheid krijgt zonder heldere criteria. Daarom stellen zij een soort gereedschapskist voor, met een vaste volgorde van vragen die beantwoord moet worden voor er geld uit het fonds vloeit. Eerst moet worden vastgesteld of er werkelijk sprake is van een problematische afhankelijkheid. Daarna moet onderzocht worden of bestaande instrumenten – van marktopening tot betere regelgeving – het probleem redelijk snel kunnen verlichten. Pas in laatste instantie komt gerichte financiële steun in beeld, en ook dan alleen als de economische baten opwegen tegen de risico’s voor concurrentie en begroting.

Wanneer wordt een afhankelijkheid echt gevaarlijk

In hun methode maken de auteurs een onderscheid tussen afhankelijkheden die politiek gebruikt kunnen worden en afhankelijkheden die vooral economisch zijn. Ze kijken naar de mate waarin Europa aangewezen is op invoer in een bepaalde waardeketen, hoe sterk leveranciers geconcentreerd zijn, hoe betrouwbaar die partners zijn en of er alternatieve bronnen of grondstoffen zijn die relatief snel inzetbaar worden. Een eenzijdige afhankelijkheid van één land of leverancier weegt zwaarder dan een situatie waarin dezelfde producten van verschillende regio’s te betrekken zijn.

Ook de tijdsdimensie speelt een rol. De panelleden verwezen naar de abrupte breuk met Rusland, waar veel Europese bedrijven zich in korte tijd moesten heroriënteren. Voor heel wat producten bleek dat mogelijk, maar de gasmarkt was een uitzondering die diepe sporen naliet. Volgens de studie illustreert die ervaring dat Europa beter vooruit moet kijken: door op tijd in infrastructuur en alternatieven te investeren, kan een toekomstige schok minder ontwrichtend zijn.

Eerst hervormen, dan pas subsidiëren

Als een afhankelijkheid als risico wordt aangemerkt, wil het rapport eerst naar maatregelen kijken die groei en veiligheid tegelijk ten goede komen. Een deel daarvan ligt volgens de sprekers in eigen huis. Een dieper geïntegreerde interne markt, eenvoudiger regels voor digitale diensten en een arbeidsmarkt die werknemers helpt om sneller naar productieve sectoren over te stappen, kunnen Europese bedrijven meer schaal en slagkracht geven. Ook een sterkere kapitaalmarkt, waarin innovatieve bedrijven makkelijker financiering vinden, wordt genoemd als voordeel dat de Verenigde Staten vandaag duidelijk hebben ten opzichte van Europa.

Daarnaast kan handelspolitiek helpen om risico’s te spreiden. Europese vrijhandelsakkoorden met partners buiten de grote machtsblokken geven bedrijven toegang tot nieuwe leveranciers én klanten. Verschillende sprekers haalden voorbeelden aan uit Australië en Oost-Azië, waar bedrijven na spanningen met China kozen voor een strategie waarbij ze nieuwe markten aanboren zonder bestaande relaties abrupt af te breken. Die aanpak, zo klonk het, past beter bij een open economie dan het streven om alle afhankelijkheden weg te werken.

Pas wanneer zulke opties niet volstaan en de risico’s in een redelijke termijn niet afnemen, komt directe ondersteuning van sectoren in beeld. Zelfs dan hoeft dat volgens de studie niet meteen via klassieke subsidies. Meer transparantie in toeleveringsketens, betere informatie over politieke risico’s en gerichte investeringen in basisonderzoek naar alternatieve technologieën kunnen bedrijven helpen om zelf andere keuzes te maken. In sectoren als cloudcomputing kan regelgeving die overstappen tussen aanbieders verlaagt, tegelijk nieuwe spelers aantrekken en de greep van grote technologiebedrijven verkleinen.

De Commissie wil een breder instrumentarium

De vertegenwoordiger van de Europese Commissie plaatste kanttekeningen bij de analyse. Volgens haar leest het rapport te sterk als een pleidooi om vooral voort te bouwen op het huidige beleid, terwijl de voorbije tien jaar hebben laten zien dat dit niet volstaat. Ze wees op de snel groeiende handelsonevenwichten met China, onder meer door doelbewuste overcapaciteit in bepaalde sectoren, en op de druk die dat uitoefent op Europese producenten. In haar visie moet Europa daarom een breder arsenaal inzetten dan alleen onderzoeksgeld en betere regelgeving.

De Commissie heeft de voorbije jaren een methodiek ontwikkeld om kwetsbaarheden in strategische sectoren te identificeren. Die richt zich onder meer op kritieke grondstoffen, halfgeleiders en technologieën die van belang zijn voor defensie en de omschakeling naar een klimaatvriendelijke economie. Voor sommige van die sectoren bestaan al specifieke wetsvoorstellen en programma’s, zoals regelgeving rond grondstoffen en industrieën met lage uitstoot. Het competitivititeitsfonds moet daar niet alles vervangen, maar aansluiten op die inspanningen en in voorkomende gevallen industriële projecten helpen financieren.

Belangrijk is volgens de Commissievertegenwoordiger dat het fonds de hele investeringsketen afdekt: van onderzoek en proefprojecten tot opschaling en marktintroductie. Waar het vroegere onderzoeksprogramma vooral subsidies uitkeerde, wil men nu sterker inzetten op leningen, garanties en andere financiële instrumenten in samenwerking met de Europese Investeringsbank. Tegelijk moeten grensoverschrijdende projecten worden aangemoedigd, zodat hele waardeketens in Europa kunnen groeien en kleinere ondernemingen kunnen aanhaken bij grotere technologieclusters.

Ondernemersorganisaties vragen helderheid en voorspelbaarheid

Vertegenwoordigers van werkgeversorganisaties uit Noord- en Zuid-Europa onderschreven het belang van het fonds, maar maakten zich zorgen over de uitwerking. De Finse industriekoepel prees de vier voorgestelde thematische vensters – defensie, groene technologie, gezondheid en biotechnologie, en digitale vernieuwing – als logische prioriteiten. Toch vreest men dat het fonds aan slagkracht verliest als de middelen worden ingezet om regionale verschillen te compenseren in plaats van om de beste projecten te ondersteunen.

Vanuit het bedrijfsleven klonk herhaaldelijk de oproep om ‘uitmuntendheid’ als leidend principe vast te leggen. Niet in de enge betekenis van wetenschappelijke originaliteit, maar in de zin van kwaliteit, impact en vermogen om privaat kapitaal aan te trekken. Een competitivititeitsfonds dat vooral landen of sectoren helpt die politiek gezien ‘aan de beurt’ zijn, zo waarschuwden verschillende sprekers, kan op korte termijn spanningen dempen maar op lange termijn de groei juist afremmen. Bedrijven in landen met weinig budgettaire ruimte zouden dan tweemaal verliezen: zij hebben minder nationale steun én lopen het risico mis te grijpen bij Europese middelen.

Daarnaast wezen meerdere deelnemers op de spanning tussen het nieuwe fonds en de ruime vrijstellingen voor staatssteun die in de voorbije jaren zijn ingevoerd. Als grote lidstaten hun eigen ondernemingen blijven steunen, dreigt het fonds volgens hen slechts een aanvulling te worden op nationale regelingen, in plaats van een instrument dat de voorwaarden voor iedereen gelijker maakt. Sommigen pleitten er daarom voor de tijdelijke soepelheid rond staatssteun af te bouwen zodra het nieuwe meerjarenbudget ingaat en Europese middelen te richten op projecten die op eigen kracht Europees marktleider kunnen worden.

Tussen Amerikaans marktmodel en Aziatische industriepolitiek

In de zaal speelde ook een bredere discussie over de rolmodellen waar Europa zich op baseert. Verschillende sprekers wezen op de dynamiek van de Verenigde Staten, waar bedrijven makkelijker kapitaal vinden, werknemers sneller tussen sectoren kunnen bewegen en mislukking minder zwaar weegt. Na crisissen zoals de financiële schok van 2008 of de pandemie konden Amerikaanse ondernemingen relatief snel middelen verplaatsen naar nieuwe activiteiten, terwijl Europa vaak koos voor noodmaatregelen om bestaande banen zo lang mogelijk in stand te houden.

Tegelijk werd verwezen naar landen als Japan en Zuid-Korea, die eerder al met Chinese druk te maken kregen en lessen trokken uit tekorten aan strategische materialen. Daar maakten overheid en bedrijven afspraken over voorraadbeheer, monitoring van kritieke markten en gerichte steun voor bepaalde sectoren. Die ervaringen gelden voor sommige panelleden als inspiratiebron, maar anderen waarschuwden dat Europa een andere uitgangspositie heeft: het gaat niet om een opkomende economie die industrie wil opbouwen vanaf een laag inkomensniveau, maar om een welvarende regio die terrein dreigt te verliezen en waar politieke steun voor hard ingrijpen beperkter is.

Wat op het spel staat voor Europa

Over één punt leek brede overeenstemming te bestaan: Europa kan zich geen langdurige stagnatie veroorloven. De aanwezigen verwezen naar berekeningen waaruit blijkt dat de investeringskloof die voormalig ECB-voorzitter Mario Draghi identificeerde, neerkomt op honderden miljarden euro per jaar. Tegelijk kampt de Unie met een handelsbalans tegenover China die neerkomt op bijna een miljard euro tekort per dag. Zonder een gerichte strategie voor innovatie, productiviteit en economische veiligheid, zo luidde de waarschuwing, wordt het steeds moeilijker om sociale bescherming, defensie-uitgaven en de groene omslag tegelijk te financieren.

In dat licht kreeg het competitivititeitsfonds een duidelijke symbolische lading. Het wordt niet gezien als dé oplossing, maar wel als een test voor de vraag of Europa in staat is zijn middelen te richten op projecten die zowel groei als veerkracht versterken. Dat vergt volgens de sprekers heldere definities van wat werkelijk risicovol is, transparante criteria voor de selectie van projecten en een besluitvorming waarin technische en commerciële expertise zwaarder weegt dan korte-termijnpolitiek.

Bronnen:
Center for European Reform
Europese Commissie – directoraat-generaal voor investeringen en innovatie
Werkgeversorganisaties uit Finland, Zweden en Spanje
Paneldebat over het Europese competitivititeitsfonds en economische veiligheid

Andy Vermaut +32499357495 (Als je een probleem hebt met de inhoud van een artikel, kan je me altijd mailen op info@indegazette.be – best zo weinig mogelijk mensen in cc zetten, want anders komt dit in de spamfilter terecht. Voor elk artikel geldt een recht op antwoord van betrokkenen tot 3 maanden na publicatie van het artikel)