European Disability Card krijgt in Nederland brede rol bij overheid, onderwijs en handhaving

19 juli 2026
Nederland werkt aan een wet die de European Disability Card invoert. Die Europese kaart moet aantonen dat de houder in het land waar hij woont officieel als persoon met een handicap is erkend. Ze moet het eenvoudiger maken om tijdens een tijdelijk verblijf in een andere lidstaat toegang te krijgen tot voorwaarden en tegemoetkomingen die daar ook gelden voor inwoners met een handicap. Het Nederlandse ontwerp gaat echter veel verder dan de productie van een kaart. Het regelt wie de kaart mag aanvragen, welke overheidsregisters mogen worden geraadpleegd, hoe gezondheidsgegevens worden beschermd, welke rechtsmiddelen bestaan bij een weigering en hoe onder andere politieagenten, handhavers, onderwijsinstellingen en gemeentelijke diensten ermee kunnen leren werken. De internetconsultatie begon op maandag 6 juli 2026 en loopt tot en met maandag 31 augustus 2026. (internetconsultatie.nl)
Wat is de European Disability Card?
De European Disability Card, afgekort tot EDC, is een gestandaardiseerd Europees bewijs dat de houder in zijn woonland een erkende status als persoon met een handicap heeft. De kaart zorgt er niet voor dat alle lidstaten dezelfde definitie van handicap invoeren. Elk land blijft zelf bepalen wie volgens zijn nationale regels als persoon met een handicap wordt erkend. De Europese regeling zorgt er wel voor dat de lidstaten elkaars geldige kaarten erkennen wanneer de houder tijdelijk naar een ander EU-land reist. Een tijdelijk of kort verblijf betekent binnen deze regeling een bezoek of verblijf van maximaal drie maanden. De kaart is bedoeld voor reizen die verband kunnen houden met toerisme, studie, werk, cultuur, sport, vrije tijd of vervoer. De lidstaten moeten hun nationale regels uiterlijk op 5 juni 2028 toepassen.
Waarom Europa deze kaart invoert
Mensen met een handicap kunnen vandaag moeilijkheden ondervinden wanneer een nationale erkenning of nationale kaart in een ander land niet wordt aanvaard. Iemand kan in het woonland bijvoorbeeld recht hebben op aangepaste toegang, een begeleidersregeling of toegankelijke plaatsen, maar in een ander land opnieuw bewijs moeten leveren. De EDC moet ervoor zorgen dat een geldige handicapstatus tijdens een kort verblijf niet telkens opnieuw wordt beoordeeld. De Europese Commissie testte tussen 2016 en 2019 al een Europese kaart in België, Cyprus, Estland, Finland, Italië, Malta, Roemenië en Slovenië. De proef wees uit dat de kaart de erkenning van de handicapstatus ondersteunde en deelname aan culturele en sportieve activiteiten vergemakkelijkte.
Welke voordelen met de kaart verbonden kunnen zijn
Een dienstverlener kan aan een EDC-houder bijvoorbeeld korting geven, een begeleider gratis binnenlaten, aangepaste zitplaatsen aanbieden of ondersteuning voorzien. Andere voorbeelden zijn een prikkelarme openstelling van een museum, toegankelijk lesmateriaal, een drijvende rolstoel aan het strand, aangepaste toegang tot een evenement of toelating voor een assistentiedier. Een assistentiedier is een dier dat een persoon met een handicap helpt of bepaalde taken voor die persoon uitvoert. Het bekendste voorbeeld is een geleidehond, maar de wettelijke omschrijving is niet tot geleidehonden beperkt. Een begeleider is een persoon die de kaarthouder bijstaat. De gunstige voorwaarde kan daarom ook betrekking hebben op die begeleider of op het assistentiedier.
Geen Europees basispakket aan kortingen
De EDC geeft niet automatisch recht op een vaste korting, gratis toegang, voorrang of begeleiding. De Europese richtlijn verplicht landen en organisaties niet om bepaalde voordelen in te voeren. Ze bepaalt evenmin hoeveel korting moet worden gegeven. Een museum, vervoersbedrijf, sportvereniging, overheid of andere dienstverlener beslist volgens de toepasselijke nationale regels of een bijzondere voorwaarde wordt aangeboden. Wanneer een Nederlandse organisatie vrijwillig een voordeel aan EDC-houders geeft, moet zij dat voordeel wel op gelijke wijze aanbieden aan alle geldige EDC-houders. Een kaart uit België, Frankrijk of een andere lidstaat mag dan niet minder gunstig worden behandeld dan een Nederlandse kaart.
Geen vervanging voor zorg, uitkeringen of sociale zekerheid
De kaart is niet bedoeld als toegangsbewijs voor alle vormen van zorg en sociale ondersteuning. Ze vervangt geen beoordeling voor een uitkering, langdurige zorg, sociale bijstand, werkgelegenheidsregeling, revalidatie of individuele voorziening. Diensten waarvoor een afzonderlijk onderzoek naar de persoonlijke behoeften nodig is, blijven buiten de automatische werking van de EDC. Een Nederlandse ov-begeleiderskaart blijft bijvoorbeeld een eigen regeling met eigen voorwaarden. Een EDC-houder krijgt daardoor niet automatisch alle rechten die aan zo’n nationale kaart zijn gekoppeld. Ook de bestaande plicht om redelijke en doeltreffende aanpassingen voor personen met een handicap te treffen, blijft naast de EDC bestaan.
Verschil met de Europese parkeerkaart
De European Disability Card en de Europese parkeerkaart zijn twee verschillende kaarten. De EDC gaat hoofdzakelijk over erkenning bij diensten, activiteiten en voorzieningen. De Europese parkeerkaart heeft betrekking op parkeerrechten voor personen met een handicap. Nederland voert de EDC in via een wijziging van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte. De nieuwe Europese parkeerkaart wordt afzonderlijk geregeld door een wijziging van de Regeling gehandicaptenparkeerkaart. De EDC verleent dus niet automatisch het recht om op een gehandicaptenparkeerplaats te parkeren.
Wie de Nederlandse EDC kan aanvragen
De kaart is bedoeld voor personen die in Nederland volgens objectieve en controleerbare gegevens als persoon met een handicap kunnen worden erkend. Ook onderdanen van landen buiten de Europese Unie kunnen onder voorwaarden een kaart krijgen wanneer zij legaal in een lidstaat verblijven, daar een erkende handicapstatus hebben en volgens het Europese recht naar andere lidstaten mogen reizen. Nederland heeft momenteel geen enkel algemeen nationaal document waarmee iedere persoon met een handicap formeel wordt erkend. Daarom moet een eigen aanvraagprocedure worden opgesteld. De precieze eisen worden later vastgelegd in een algemene maatregel van bestuur. Zo’n algemene maatregel van bestuur, meestal afgekort tot AMvB, bevat uitvoeringsregels die op een wet steunen. De wet legt het juridische kader vast; de AMvB bepaalt nadien onder andere welke bewijsstukken worden aanvaard en hoe de aanvraag praktisch verloopt.
Het sociale en het medische uitgangspunt
Organisaties van personen met een handicap vroegen om een procedure die aansluit bij het sociale model. Dat model bekijkt een handicap als het gevolg van de wisselwerking tussen een persoon en de drempels in de samenleving. Een fysieke, mentale, intellectuele of zintuiglijke beperking wordt vooral problematisch wanneer gebouwen, informatie, vervoer, onderwijs of dienstverlening niet toegankelijk zijn. Het medische model kijkt eerder naar een vastgestelde aandoening, diagnose of functionele beperking. Nederland wil beide uitgangspunten gebruiken. De aanvrager moet met objectieve gegevens aantonen dat sprake is van een handicap, maar de procedure moet tegelijk eenvoudig en toegankelijk blijven. Een eigen verklaring zonder enig controleerbaar bewijs wordt niet voldoende geacht, omdat daardoor ook personen zonder handicap een kaart zouden kunnen aanvragen.
Automatische controle via bestaande registers
Nederland wil eerst nagaan of de aanvrager al voorkomt in een officieel register waaruit met voldoende zekerheid blijkt dat er een handicap bestaat. Dat kan voorkomen dat iemand opnieuw verklaringen en gevoelige documenten moet verzamelen. De belangrijkste registers in het ontwerp zijn die van het Centrum Indicatiestelling Zorg en de Dienst Wegverkeer. De aanvrager geeft zelf aan dat hij bijvoorbeeld een indicatie voor langdurige zorg of een gehandicaptenparkeerkaart heeft. Daarna kan het systeem controleren of die verklaring overeenstemt met de registratie. Bij een positieve uitkomst hoeft geen uitgebreid medisch dossier te worden doorgestuurd.
Wat het CIZ en de Wlz betekenen
Het Centrum Indicatiestelling Zorg, afgekort tot CIZ, is de Nederlandse organisatie die beoordeelt of iemand recht heeft op zorg op grond van de Wet langdurige zorg. Die wet wordt afgekort tot Wlz en is bedoeld voor personen die blijvend intensieve zorg of permanent toezicht nodig hebben. De CIZ-registratie omvat ongeveer 150.000 personen. De gegevens zijn gebaseerd op een centrale beoordelingsprocedure. Wie een geldige Wlz-indicatie heeft, behoort volgens het ontwerp met een hoge mate van zekerheid tot de doelgroep van de EDC. De aanvrager kan daarom toestemming geven om te controleren of hij in het register voorkomt. Het CIZ hoeft daarbij geen diagnose, behandelgeschiedenis of zorgplan aan de kaartverstrekker te bezorgen.
Wat de RDW controleert
De RDW is de Nederlandse Dienst Wegverkeer. De organisatie is bekend van de registratie van voertuigen en rijbewijzen, maar beheert ook het landelijke register van afgegeven gehandicaptenparkeerkaarten. In Nederland zijn ongeveer 268.000 van die kaarten in omloop. Een gehandicaptenparkeerkaart wordt toegekend op basis van medische en functionele voorwaarden. Wie zo’n geldige kaart heeft, kan daarom ook voor de EDC in aanmerking komen. Bij de aanvraag kan via het register worden gecontroleerd of de parkeerkaart werkelijk bestaat en geldig is. De RDW hoeft daarvoor geen onderliggende medische verslagen te delen.
Controle met het burgerservicenummer
Voor de controle kan het burgerservicenummer worden gebruikt. Het burgerservicenummer, afgekort tot BSN, is het persoonlijke identificatienummer waarmee Nederlandse overheidsdiensten personen in hun administratie herkennen. Het systeem kan op basis van dat nummer nagaan of er een overeenkomst bestaat met een registratie bij het CIZ of de RDW. Bij een positieve controle wordt alleen teruggegeven dat de aanvrager in het betrokken register voorkomt. De bedoeling is niet dat alle gegevens uit dat register naar het ministerie worden gekopieerd. De controle kan technisch gebeuren via een API. Een API is een beveiligde digitale koppeling waarmee twee computersystemen een beperkte en vooraf bepaalde vraag en een antwoord kunnen uitwisselen. In dit geval kan de vraag neerkomen op de controle of een bepaalde persoon in het register voorkomt, waarop alleen een bevestigend of ontkennend antwoord wordt gegeven.
Wat gebeurt wanneer iemand niet in die registers staat
Niet iedere persoon met een handicap heeft een Wlz-indicatie of een gehandicaptenparkeerkaart. Wie niet door het CIZ- of RDW-register wordt herkend, kan andere objectieve bewijsstukken indienen. Dat kan een ondertekende verklaring zijn van een erkende professional die in het BIG-register staat. BIG verwijst naar de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg. In dat register staan zorgverleners die aan wettelijke opleidings- en beroepsvoorwaarden voldoen. Ook een uittreksel van een beslissing op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de Jeugdwet of het elektronische patiëntendossier van een huisarts kan worden gebruikt. De Wet maatschappelijke ondersteuning, afgekort tot Wmo, regelt gemeentelijke ondersteuning die mensen helpt zelfstandig te blijven deelnemen aan het dagelijkse leven. De Jeugdwet regelt jeugdhulp en ondersteuning voor minderjarigen en gezinnen. Het gevraagde document moet bevestigen dat sprake is van een handicap. Een uitgebreid medisch rapport is volgens de toelichting niet de bedoeling.
Welke informatie op de kaart staat
De fysieke EDC bevat slechts een beperkt aantal persoonsgegevens. Op de kaart komen een pasfoto, de voornaam, de achternaam en de geboortedatum van de houder. De diagnose en de aard van de handicap worden niet op de kaart vermeld. Een museum, controleur, vervoersbedrijf of andere organisatie kan dus niet aan de kaart aflezen of iemand bijvoorbeeld een lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of niet-zichtbare beperking heeft. De kaart bevestigt alleen dat de houder volgens de bevoegde instantie tot de doelgroep behoort.
Waarom gezondheidsgegevens toch worden verwerkt
Hoewel de diagnose niet op de kaart staat, moet de overheid bij de aanvraag kunnen vaststellen dat de aanvrager een handicap heeft. Het gegeven dat iemand een handicap heeft, is volgens de Algemene verordening gegevensbescherming een persoonsgegeven over gezondheid. De Algemene verordening gegevensbescherming, afgekort tot AVG, is de Europese privacywet die regels oplegt voor het verzamelen, gebruiken, beveiligen en bewaren van persoonsgegevens. Het wetsvoorstel geeft de bevoegde minister een juridische grondslag om de noodzakelijke gegevens te verwerken. Welke gegevens precies mogen worden gevraagd en hoe lang ze worden bewaard, moet later nader worden geregeld. Het uitgangspunt is dat alleen gegevens worden verwerkt die nodig zijn om de aanvraag te beoordelen en de kaart uit te geven.
Een register en een QR-code tegen fraude
Elke afgegeven kaart wordt opgenomen in een register. De koppeling met de houder gebeurt via een versleuteld BSN. Versleuteling betekent dat het nummer technisch wordt omgezet, zodat het niet als gewoon leesbaar nummer in iedere verwerking wordt gebruikt. De kaart krijgt ook een QR-code. Een QR-code is een vierkante, digitaal leesbare code waarmee een controlesysteem informatie kan opvragen. Dienstverleners kunnen met een kosteloze verificatietoepassing controleren of een kaart echt en nog geldig is. De controle moet fraude, vervalsing en het gebruik van ingetrokken kaarten tegengaan. Wanneer een kaart verloren, gestolen of beschadigd is, kan ze in het register worden ingetrokken.
Eerst een fysieke en later een digitale kaart
Nederland wil de EDC aanvankelijk als fysieke kaart verstrekken. Een digitale versie volgt nadat op Europees niveau de technische normen zijn vastgelegd. Die normen moeten ervoor zorgen dat de kaart in verschillende landen op dezelfde manier kan worden gecontroleerd en dat fraude wordt bemoeilijkt. Ook wordt gekeken naar mogelijk gebruik in de Europese digitale identiteitswallet, vaak EUDI-wallet genoemd. Dat is een digitale portefeuille waarin burgers in de toekomst Europese identiteits- en bewijsdocumenten kunnen bewaren en tonen. De eerste fysieke kaart wordt kosteloos afgegeven. Voor een vervangende kaart na verlies of beschadiging kan later een vergoeding worden gevraagd die overeenkomt met de kosten van de herafgifte.
Wie de kaart uitgeeft
Het wetsvoorstel wijst de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport aan als juridisch verantwoordelijke voor de afgifte. De praktische beoordeling en productie worden toevertrouwd aan het CIBG. Het CIBG is een uitvoeringsorganisatie van het Nederlandse ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. De organisatie beheert verschillende registers en overheidsregelingen in de zorgsector. Een centrale afgifte moet voorkomen dat iedere gemeente eigen criteria of procedures toepast. De Europese parkeerkaart blijft daarentegen gekoppeld aan gemeenten, omdat parkeerbeleid en plaatselijke mobiliteit daarbij een belangrijke rol spelen.
Wat zijn buitengewoon opsporingsambtenaren?
Het Nederlandse ontwerp spreekt over politieagenten en buitengewoon opsporingsambtenaren. Die laatste groep wordt afgekort tot boa’s. Een boa is geen gewone politieagent, maar een Nederlandse functionaris met specifieke opsporingsbevoegdheden binnen een afgebakende taak. Een politieagent heeft in beginsel een algemene opsporingsbevoegdheid. Een boa mag meestal alleen optreden tegen strafbare feiten en overtredingen die bij zijn functie en werkterrein horen. Bekende voorbeelden zijn gemeentelijke handhavers die optreden tegen parkeerovertredingen of overlast, controleurs in het openbaar vervoer, jachtopzichters, milieu-inspecteurs en leerplichtambtenaren. De boa-werkzaamheden zijn onderverdeeld in zes domeinen: openbare ruimte; milieu, welzijn en infrastructuur; onderwijs; openbaar vervoer; werk, inkomen en zorg; en generieke opsporing. Niet iedere boa mag dezelfde handelingen stellen. Sommige boa’s mogen processen-verbaal opmaken, identiteitscontroles uitvoeren of boetes uitschrijven. Aanvullende politie- of geweldsbevoegdheden worden alleen onder afzonderlijke voorwaarden toegekend. (justis.nl)
Waarom politieagenten en boa’s de EDC moeten kennen
Politieagenten en boa’s komen tijdens controles, toezicht en handhaving in contact met mensen met zichtbare en niet-zichtbare beperkingen. Nederland onderzoekt daarom hoe de EDC in hun opleidingstrajecten kan worden opgenomen. Het doel is dat zij de kaart kennen en tijdens hun werk beter rekening kunnen houden met personen met een handicap. De geraamde kennisnemingskosten bedragen 182.152,90 euro voor de politie en 81.176,47 euro voor de boa’s. Het woord herkenning betekent hier niet dat een agent of handhaver aan het uiterlijk moet bepalen welke aandoening iemand heeft. Op de EDC staat immers geen diagnose. Het gaat om kennis van het bestaan en de betekenis van de kaart wanneer een burger ze toont. Het wetsvoorstel verleent politieagenten of boa’s geen afzonderlijke toegang tot medische dossiers.
Onderwijsinstellingen kunnen de kaart aanvaarden
Ook onderwijsinstellingen kunnen de EDC gebruiken. Mbo staat voor middelbaar beroepsonderwijs, hbo voor hoger beroepsonderwijs en wo voor wetenschappelijk onderwijs aan universiteiten. De instellingen worden niet verplicht om de kaart te aanvaarden, maar kunnen beslissen dat de kaart wordt gebruikt bij aangepaste ondersteuning of toegang. Dat kan wijzigingen vereisen in procedures en informatiesystemen. Ook medewerkers moeten dan weten wat de kaart bewijst en wat ze niet bewijst. De kosten zijn nog niet berekend, omdat onbekend is hoeveel scholen, hogescholen en universiteiten de kaart zullen gebruiken. In de JOB-monitor 2024 gaf 28 procent van de bevraagde mbo-studenten aan een ondersteuningsbehoefte te hebben. In de Nationale Studenten Enquête 2025 meldde 21 procent van de studenten in het hoger onderwijs een ondersteuningsbehoefte. Een deel van die studenten kan later een EDC aanvragen.
Hulp bij een digitale of papieren aanvraag
Niet iedereen kan zelfstandig een digitaal formulier invullen. Nederland bespreekt daarom een mogelijke rol voor de Informatiepunten Digitale Overheid. Die informatiepunten helpen burgers die moeite hebben met digitale overheidsdiensten. Eind 2025 waren er 871 locaties. Wanneer iedere locatie één uur nodig heeft om de medewerkers over de EDC te informeren, worden de kennisnemingskosten op 47.034 euro geraamd. Een informatiepunt kan uitleg geven over de digitale aanvraag en zo nodig doorverwijzen naar de papieren procedure. Ook sociale wijkteams en onafhankelijke cliëntondersteuners kunnen vragen krijgen. Een sociaal wijkteam helpt inwoners bij vragen over zorg, ondersteuning, wonen, inkomen en welzijn. Een onafhankelijke cliëntondersteuner helpt iemand kosteloos bij het begrijpen en aanvragen van zorg of ondersteuning en hoort daarbij onafhankelijk van de beslissende instantie te werken.
Gemeenten, VNG en UWV krijgen eveneens vragen
Gemeenten zullen mogelijk informatie moeten verstrekken aan inwoners die bewijsstukken voor hun aanvraag nodig hebben. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten, afgekort tot VNG, vertegenwoordigt de Nederlandse gemeenten en bespreekt met het ministerie welke rol de EDC in gemeentelijke contacten kan krijgen. Ook uitvoeringsorganisaties zoals het UWV kunnen vragen ontvangen. UWV staat voor Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen en voert in Nederland regelingen uit rond werkloosheid, arbeidsongeschiktheid en ondersteuning naar werk. Hoeveel vragen gemeenten en uitvoeringsorganisaties zullen ontvangen, is nog niet bekend. Daarom konden die kosten niet worden berekend.
Bedrijven beslissen zelf of ze meedoen
Een particulier bedrijf is in Nederland niet verplicht om de EDC te aanvaarden. Een bioscoop, theater, pretpark, sportorganisatie, vervoerder of toeristische uitbater kan zelf beslissen of aan de kaart een korting, aangepaste toegang of andere voorwaarde wordt gekoppeld. Wanneer het bedrijf dat doet, moet het personeel de kaart kunnen herkennen en de voorwaarden correct toepassen. De kosten hangen af van het aantal deelnemende bedrijven en het aantal medewerkers dat instructies nodig heeft. Een algemene kostenraming is daardoor niet mogelijk.
Een half miljoen aanvragen als middenscenario
Het CIBG heeft voor de periode van 2028 tot en met 2031 drie scenario’s opgesteld. Die gaan uit van 300.000, 500.000 of 700.000 aanvragen. De berekeningen gebruiken 500.000 aanvragen als middenscenario. Daarbij wordt aangenomen dat 30 procent digitaal en automatisch kan worden afgehandeld via een controle in bestaande registers. De helft van de aanvragen zou digitaal worden ingediend met bewijsstukken. De overige 20 procent zou via een papieren formulier verlopen. Voor burgers bestaat de tijdsbesteding uit het lezen van informatie, het invullen van de aanvraag, het verzamelen van bewijsstukken en het toevoegen van een pasfoto. De kaart kan tegelijk tijd besparen wanneer een organisatie voortaan de EDC aanvaardt en geen afzonderlijke artsenverklaring meer vraagt. Dat kan vooral nuttig zijn voor mensen met een niet-zichtbare handicap, die anders herhaaldelijk uitleg of bewijs moeten geven.
Bezwaar en beroep bij een weigering
Een toekenning, weigering, verlenging of intrekking van een EDC heeft juridische gevolgen. Zo’n beslissing geldt daarom als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Die wet wordt afgekort tot Awb en bevat de algemene regels waaraan Nederlandse overheidsbesluiten moeten voldoen. Wie geen kaart krijgt, kan eerst bezwaar indienen bij de verantwoordelijke overheid. Daarna kan beroep bij de bestuursrechter mogelijk zijn en uiteindelijk hoger beroep. De aanvrager mag zich laten vertegenwoordigen door iemand anders. De overheid en de rechtbanken moeten rekening houden met extra werk wanneer tegen beslissingen wordt geprocedeerd.
Ook privacytoezicht en regeldruk worden onderzocht
Het ontwerp wordt voor advies voorgelegd aan de Autoriteit Persoonsgegevens en het Adviescollege toetsing regeldruk. De Autoriteit Persoonsgegevens, afgekort tot AP, is de Nederlandse toezichthouder op de naleving van de privacywetgeving. Het Adviescollege toetsing regeldruk, afgekort tot ATR, onderzoekt welke administratieve lasten nieuwe regelgeving veroorzaakt voor burgers, bedrijven en organisaties. Hun adviezen kunnen leiden tot wijzigingen voordat het voorstel naar het parlement gaat.
Niet rechtstreeks van toepassing op de BES-eilanden
De nieuwe EDC-bepalingen worden niet rechtstreeks van toepassing op Bonaire, Sint-Eustatius en Saba, samen vaak aangeduid als de BES-eilanden. De Europese richtlijnen gelden daar niet op dezelfde wijze als in Europees Nederland. Nederlanders afkomstig uit Bonaire, Sint-Eustatius, Saba, Curaçao, Aruba of Sint-Maarten kunnen wel voor een EDC in aanmerking komen wanneer zij in Europees Nederland of een andere EU-lidstaat verblijven en aan de geldende voorwaarden voldoen.
De internetconsultatie
Mensen met een handicap, hun naasten, belangenorganisaties, culturele en sportieve organisaties, vervoerders, overheden, uitvoeringsdiensten, bedrijven, onderzoekers en andere belangstellenden kunnen tot en met maandag 31 augustus 2026 reageren. De huidige consultatie gaat over de wettelijke hoofdlijnen. De praktische regels over de aanvraag, de bewijsstukken en de afgifte worden later opgenomen in een algemene maatregel van bestuur. Ook dat uitvoeringsbesluit wordt nog afzonderlijk ter internetconsultatie voorgelegd. Op zondag 19 juli 2026 waren 23 reacties openbaar zichtbaar. Alleen reacties waarvoor de inzender toestemming voor openbaarmaking geeft, worden gepubliceerd.
Bronnen:
Conceptwetsvoorstel Wijziging van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte in verband met de introductie van de EDC – informatie via EDC-fan België – Pieter Paul Moens
Memorie van toelichting bij de Implementatiewet Europese kaart voor personen met een handicap
Internetconsultatie European Disability Card, Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Justis, Buitengewoon opsporingsambtenaar
Andy Vermaut +32499357495 (Als je een probleem hebt met de inhoud van een artikel, kan je me altijd mailen op info@indegazette.be – best zo weinig mogelijk mensen in cc zetten, want anders komt dit in de spamfilter terecht. Voor elk artikel geldt een recht op antwoord van betrokkenen tot 3 maanden na publicatie van het artikel. AI wordt gebruikt als redactioneel hulpmiddel. De journalist controleerde de inhoud en feiten.)


