Geneefs fonds wil wortels van terrorisme aanpakken met lokale projecten

10 december 2025
Een wereldwijd fonds met een lokale aanpak
Op woensdag 10 december 2025, om 08.38 uur, in de gebouwen van de Raad van de Europese Unie in Brussel, lichtte de leiding van het in Genève gevestigde Global Community Engagement and Resilience Fund (GCERF) haar aanpak toe voor Europese diplomaten en beleidsmakers. Het gaat om een wereldwijd fonds dat zich toelegt op preventie van gewelddadig extremisme en terrorisme, met directe steun aan lokale initiatieven in kwetsbare regio’s.
GCERF ontstond in 2013 binnen het Global Counterterrorism Forum, in de periode van de Amerikaanse president Barack Obama. Naast twee andere instellingen, die zich richten op justitie en capaciteitsopbouw, groeide GCERF uit tot het grootste fonds met een uitgesproken preventieve opdracht. Waar klassieke programma’s vaak blijven hangen in grote ontwikkelingsbedragen of harde veiligheidsstrategieën, richt dit fonds zich op de zone daartussen: de dagelijkse realiteit van mensen in dorpen, steden en wijken waar radicalisering voeling krijgt.
De uitvoerend directeur, Carla It Costu, schetste hoe GCERF steun geeft aan lokale actoren die dicht bij de bevolking staan. Dat kunnen imams, leerkrachten of andere plaatselijke sleutelfiguren zijn, maar ook jongerenorganisaties of verenigingen rond arbeid en opleiding. Het fonds werkt wel met regeringen samen, maar laat projecten uitvoeren door organisaties die het terrein door en door kennen. Zo ontstaan programma’s die jongeren alternatieven bieden voor gewelddadige groepen, door bijvoorbeeld opleiding, dialoogprojecten of begeleiding naar werk.
GCERF stelt dat de gemiddelde kost van deze aanpak rond de veertig dollar per persoon ligt. Die som gaat naar activiteiten die de veerkracht van een samenleving vergroten en mensen weerbaarder maken tegen rekrutering door extremistische netwerken. Het fonds ziet dat als een investering in vrede en stabiliteit, in regio’s waar anders vooral wordt gesproken over militaire inzet of grootschalige humanitaire hulp.
Van Balkan tot Azië
Sinds de start in 2014 breidde het werkgebied van GCERF gestaag uit. In Europa gaat het om landen in de Westelijke Balkan, onder meer Kosovo, waar de minister van Binnenlandse Zaken aanwezig was tijdens de toelichting in Brussel. In Noord-Afrika is het fonds actief in landen als Tunesië en Marokko. Verder lopen programma’s in de Sahel, in de Golf van Guinee en in de Hoorn van Afrika, met onder andere Somalië als belangrijk land.
Ook in zuidelijk en oostelijk Afrika, in delen van Centraal-Azië en in verschillende landen in Zuid- en Zuidoost-Azië – zoals Sri Lanka, Indonesië en de Filipijnen – ondersteunt GCERF projecten. De organisatie werkt daar met regeringen aan nationale strategieën tegen gewelddadig extremisme. Binnen die strategieën zoekt het fonds naar plaatsen waar groepen actief zijn, waar samenlevingen kwetsbaar zijn en waar spanningen het meest tastbaar zijn. Vervolgens worden de middelen gericht ingezet op die “hotspots”, zodat mensen ter plaatse zelf een rol krijgen in het afremmen van rekrutering en het aanbieden van andere toekomstperspectieven.
Volgens GCERF zijn dat intensieve trajecten. In elk land moeten betrouwbare lokale partners worden gevonden, moet vertrouwd worden met de context en moet worden nagegaan welke actoren het meeste effect kunnen hebben. Toch benadrukt het fonds dat de aanpak op termijn goedkoper is dan ingrijpen nadat geweld al is uitgebroken. De nadruk ligt op duurzame resultaten in de leefwereld van gezinnen en jongeren.
Nieuw gewicht voor preventie in tijden van spanning
Carla It Costu schetste tijdens haar uiteenzetting een internationale context die volgens haar onrustiger is dan op elk moment sinds de Arabische Lente. Ze wees op vier grote bronnen van zorg: de situatie in Afghanistan, de spanningen in de Sahel, de detentiekampen in Noordoost-Syrië en de gevolgen van de oorlog in Gaza, die in vele landen woede oproepen. In de steden en dorpen waar GCERF werkt, ervaren medewerkers die onvrede dagelijks.
Binnen dat brede plaatje ziet GCERF de kampen in Syrië als een terrein waar relatief snel stappen mogelijk zijn, als er voldoende politieke wil is. Tegelijk blijft preventie in het algemeen een onderbelicht onderdeel van het beleid. Waar parlementen en media veel aandacht schenken aan budgetten voor defensie of politie, krijgt het voorkomen van radicalisering minder zichtbaarheid. Toch gaat volgens het fonds een aanzienlijk deel van de Europese steun juist naar deze preventieve pijler. De Europese Unie en haar lidstaten zijn inmiddels de grootste financiers van GCERF, via ontwikkelingsmiddelen en veiligheidsfondsen.
Multilaterale tafel met gelijke stoelen
Een opvallend element in de beschrijving van GCERF is de manier waarop het fonds bestuurd wordt. Rond de bestuurstafel zitten landen die bijdragen met geld én landen waar projecten worden uitgevoerd. Nigeria en Indonesië maken er net zo goed deel van uit als Europese staten. Zelfs de armste landen leveren een bijdrage, al is die symbolisch, zodat niemand alleen als ontvanger wordt gezien.
Daardoor ontstaat een vorm van samenwerking waarin elke deelnemer een gelijke stem heeft over strategie, landenkeuze en verdeling van middelen. Er is geen aparte club van donoren die beslist wat anderen moeten doen. Alles wordt beslist op dezelfde tafel, met een klein secretariaat dat de dagelijkse werking ondersteunt. In tijden waarin veel wordt gezegd dat multilateralisme in crisis is, presenteert GCERF dit als een concreet voorbeeld dat het nog steeds anders kan en dat gedeelde verantwoordelijkheid mogelijk blijft.
Kampen in Syrië als tikkende tijdbom
Collega Lila, die de kampen eerder bezocht, gaf in Brussel een indringende schets van de levensomstandigheden in Noordoost-Syrië. Het gaat vooral om de kampen Al-Hol en Al-Roj. Samen herbergen ze volgens GCERF rond de 60.000 mensen: voormalige strijders, vrouwen en kinderen. Al-Hol, met een oppervlakte van ongeveer tien vierkante kilometer, ligt twee à drie uur rijden van de dichtstbijzijnde grote stad. Bij een bezoek in augustus liep de temperatuur er op tot zo’n tweeënvijftig graden. Er zijn geen bomen, nauwelijks beschutting en een permanente sfeer van dreiging.
Lila beschreef hoe Al-Hol is opgedeeld in drie secties: één voor Syriërs, één voor Irakezen en één voor zogenoemde “third country nationals” uit meer dan veertig andere landen. In dat laatste deel zitten vooral vrouwen en kinderen uit Europa, Azië en andere regio’s. Volwassen mannen worden meestal apart vastgehouden zodra ze een bepaalde leeftijd bereiken. Toch is in het kamp opvallend veel kindergeroep en zijn er veel baby’s.
Dat leidde haar tot de vaststelling dat er sprake is van ernstige seksuele uitbuiting van jongens door oudere vrouwen, met als doel nieuwe kinderen voort te brengen die later kunnen worden ingepast in jihadistische structuren. Humanitaire organisaties ter plaatse bevestigen dat beeld. Volgens GCERF gaat het om één van de zwaarste schendingen van kinderrechten in het huidige conflictlandschap.
Tijdens het bezoek viel ook het gedrag van de kinderen op. Zodra de delegatie uit de voertuigen stapte, begonnen kinderen stenen te rapen en naar de bezoekers te gooien. Sommigen maakten het bekende gebaar met één opgestoken vinger, dat door aanhangers van Islamitische Staat gebruikt wordt. Anderen riepen dat de organisatie nu misschien in slaap is, maar opnieuw zal opstaan. Een deel van de vrouwen sprak vrijwillig met Lila en haar collega’s, wat inzicht gaf in de dynamiek in het kamp.
GCERF onderscheidt drie groepen onder de buitenlandse vrouwen in Al-Hol en Al-Roj. Een kleine minderheid – naar schatting twintig tot vijfentwintig procent – is nog steeds sterk ideologisch overtuigd en wil niet terug naar het land van herkomst. Een even grote groep zegt spijt te hebben, wil terug en is bereid gerechtelijke procedures te doorlopen. Tussen die twee polen zit een grote grijze zone van ongeveer de helft van de bewoners, die twijfelen en door gerichte programma’s nog overtuigd kunnen worden om voor terugkeer te kiezen.
Tegelijk neemt het geweld in de kampen toe. Sinds het voorjaar stijgt het aantal incidenten, van brandstichtingen in gebouwen van hulporganisaties tot fysiek geweld en dodelijke aanvallen. Lila verwees naar een poging om een medegevangene te doden, omdat ze volgens anderen te vrijmoedig naar hulporganisaties stapte. Bovendien zijn er steeds vaker ontsnappingen. Er zijn al vrouwen met kinderen die zelfstandig terugkeerden naar landen als Australië. Dat zijn niet allemaal personen met kwade bedoelingen, maar de vrees bestaat dat er ook mensen wegglippen die opnieuw aansluiting zoeken bij radicale netwerken.
Kosovo zet in op terugkeer en begeleiding
De Kosovaarse minister van Binnenlandse Zaken beschreef hoe zijn land de afgelopen jaren een voortrekkersrol opnam in de repatriëring van vrouwen, kinderen en strijders uit Syrië. Kosovo besliste om eigen burgers niet in kampen achter te laten, maar hen systematisch naar huis te halen. Daarbij worden verschillende categorieën aangebracht.
Mannen die verantwoordelijk worden geacht voor zware feiten, belanden bij terugkeer in het justitiesysteem en worden vervolgd. Anderen, bij wie geen strafbare feiten werden vastgesteld, doorlopen intensieve programma’s in detentie en daarbuiten. Vrouwen en kinderen krijgen een traject van begeleiding, psychologische steun en begeleiding richting onderwijs en werk. Lokale overheden, religieuze leiders en specialisten uit uiteenlopende domeinen werken daarbij samen.
In totaal ontving Kosovo al 123 burgers terug uit de regio. Volgens de minister verblijven nog ongeveer honderd Kosovaren in het gebied. Tot nu toe werd geen enkel geval van herval in terrorisme vastgesteld bij de mensen die een volledig programma hebben doorlopen. Toch wees hij erop dat dit resultaat niet vanzelf kwam. De trajecten vragen volgens hem veel inzet, middelen en maatschappelijke draagkracht.
De minister beklemtoonde dat het openlaten van de kampen niet alleen Syrië en Irak raakt, maar ook Europese landen, Australië en andere staten waarvan burgers in Al-Hol en Al-Roj zitten. Zonder georganiseerd programma dreigt een scenario waarin mensen op eigen houtje vertrekken, zonder toezicht, begeleiding of controle. Dat vormt volgens hem een risico voor de veiligheid in de landen van bestemming én voor de kinderen zelf.
Hij gaf ook aan dat Kosovo, naast jihadistisch extremisme, steeds vaker te maken krijgt met extreemrechtse stromingen en etnisch nationalisme. Het land werkt daarom met GCERF aan projecten die daarop inspelen, opnieuw via lokale actoren en met aandacht voor jongeren. De ervaring met terugkeerprogramma’s voor Syrië-gangers moet daarbij helpen.
Nieuwe dreigingen vragen breed antwoord
Binnen GCERF leeft de overtuiging dat elke persoon in de kampen een eigen verhaal heeft en dus een andere aanpak vereist. Juridische stappen zijn soms nodig, maar volstaan zelden. Re-integratie vraagt ook werk op school, op de arbeidsmarkt en in de familiekring. Lokale organisaties spelen daar volgens het fonds een sleutelrol in.
Carla It Costu wees er in Brussel op dat het internationale debat vaak wordt gedomineerd door cijfers over militaire missies en grote pakketten ontwikkelingshulp. Tegen die achtergrond vallen projecten die jongeren helpen een ander pad te kiezen minder op. Toch tonen de ervaringen in landen als Kosovo dat terugkeer en begeleiding mogelijk zijn, mits duidelijke afspraken en langdurige inzet.
Aan het slot van de toelichting nam een Duitse oud-parlementariër van de Groenen het woord, die zichzelf als mede-oprichter van de partij omschreef. Zijn interventie maakte duidelijk dat er ook in Europese hoofdsteden vragen leven over hoe lang staten de kampen in Syrië nog laten voortbestaan. De kernvraag is hoe samenlevingen omgaan met kinderen en jongeren die tussen twee werelden zijn opgegroeid: zonder uitzicht op een normaal leven, maar met sterke loyaliteit aan families en structuren in de kampen.
Wie de beschrijvingen van Al-Hol en Al-Roj hoort, beseft dat het daarbij gaat om jonge mensen zonder duidelijk perspectief. Sommigen zijn nog kleuter, anderen kennen alleen een leven tussen hekken, tenten en wachttorens. Zonder alternatief liggen nieuwe generaties klaar die vatbaar zijn voor gewelddadige ideologieën, waar ook ter wereld.
Bronnen:
Briefing over GCERF en Syrische kampen
Andy Vermaut +32499357495 (Als je een probleem hebt met de inhoud van een artikel, kan je me altijd mailen op info@indegazette.be – best zo weinig mogelijk mensen in cc zetten, want anders komt dit in de spamfilter terecht. Voor elk artikel geldt een recht op antwoord van betrokkenen tot 3 maanden na publicatie van het artikel)


