Pieter Paul Moens zette jaren in op Europese erkenning voor personen met een beperking

20 augustus 2026

Auteur: Andy Vermaut

Voor Pieter Paul Moens uit Lebbeke begon de inzet voor personen met een beperking niet in Brussel en evenmin met een beleidsnota. Ze begon met een persoonlijke ervaring: leven met een autismespectrumstoornis en vaststellen dat mensen met een niet-zichtbare beperking vaak op onbegrip, twijfel en praktische drempels botsen. Uit die ervaring groeide een jarenlang engagement voor herkenning, toegankelijke dienstverlening en gelijke deelname aan het maatschappelijke leven. De documenten uit verschillende jaren tonen hoe Moens van een pleidooi voor een autismepas evolueerde naar een aanhoudende inzet voor een Europese kaart voor personen met een beperking.

Een vroeg pleidooi voor duidelijke herkenning

In 2008 kaartte Pieter Paul Moens de nood aan een autismepas aan. Hij stelde dat autisme niet zichtbaar is en dat juist daardoor misverstanden kunnen ontstaan wanneer iemand onder druk staat, hulp nodig heeft of moeilijk kan uitleggen wat er aan de hand is. Een eenvoudige en herkenbare pas kon volgens hem bijdragen aan duidelijkere communicatie tussen personen met autisme, hulpverleners, politiediensten en andere instanties.

Het voorstel ging verder dan administratie. Moens bracht naar voren dat mensen met autisme in een stressvolle situatie anders kunnen reageren, moeite kunnen hebben met onverwachte vragen of tijd nodig kunnen hebben om informatie te verwerken. Zonder kennis van die context kan een hulpverlener of medewerker gedrag verkeerd inschatten. Een pas kon dan aangeven dat aangepaste communicatie nodig is.

Dat pleidooi kreeg aandacht bij politieke verantwoordelijken. In een regionale publicatie wordt vermeld dat Moens zijn idee voorlegde aan de bevoegde Vlaamse minister en dat hij steun zocht bij verenigingen die personen met autisme en hun gezinnen vertegenwoordigen. Hij wilde dat de overheid erkende dat toegankelijkheid ook gaat over communicatie, voorspelbaarheid en een correcte benadering van mensen met een niet-zichtbare beperking.

Van autismepas naar een bredere kaart

Het idee van herkenning bleef niet beperkt tot autisme. Pieter Paul Moens zag dat mensen met uiteenlopende beperkingen vaak met dezelfde problemen worden geconfronteerd. Wie recht heeft op ondersteuning moet die nood niet telkens opnieuw moeten bewijzen aan een ticketbalie, een sportclub, een museum, een gemeentelijke dienst of een organisatie die activiteiten aanbiedt.

Daaruit groeide zijn inzet voor een kaart die bruikbaar kon zijn voor personen met een erkende beperking. De bedoeling was dat de kaart kon aantonen dat iemand aanspraak kan maken op aangepaste toegang, bepaalde voordelen of extra ondersteuning. Voor Moens was daarbij van belang dat ook personen met een beperking die niet meteen zichtbaar is, niet uit beeld verdwijnen.

In 2016 werd de Europese kaart voor personen met een beperking in België gelanceerd. Pieter Paul Moens werd in verschillende regionale publicaties genoemd als één van de voortrekkers die het initiatief onder de aandacht brachten. Hij werd daarbij afgebeeld met staatssecretaris Elke Sleurs, die betrokken was bij de invoering van de kaart. In dezelfde periode bracht hij de kaart geregeld ter sprake in lokale media en bij organisaties die werken met personen met een beperking.

Een kaart voor deelname aan het dagelijkse leven

De kaart was bedoeld om houders toegang te geven tot voordelen en aangepaste dienstverlening in onder andere cultuur, sport, vrije tijd en recreatie. De documenten verwijzen naar deelnemende landen zoals België, Cyprus, Estland, Finland, Italië, Malta, Roemenië en Slovenië. De toepassing verschilde per land en per aangesloten organisatie, maar de gemeenschappelijke doelstelling was dat een kaart ook buiten de eigen woonplaats bruikbaar kan zijn.

Voor personen met een beperking kan een bezoek aan een museum, bioscoop, sportwedstrijd, recreatiepark of cultureel evenement gepaard gaan met bijkomende kosten, wachttijden of praktische hinder. Een organisatie kan bijvoorbeeld begeleiding toelaten, aangepaste toegang voorzien of een voordeliger tarief hanteren. De kaart moest het eenvoudiger maken om die ondersteuning toe te kennen zonder dat iemand telkens opnieuw een uitgebreide medische of administratieve toelichting moet geven.

Pieter Paul Moens bracht die praktische betekenis herhaaldelijk onder de aandacht. Hij maakte duidelijk dat de kaart alleen waarde krijgt wanneer aanbieders weten wat zij inhoudt en bereid zijn om rekening te houden met de kaarthouder. Daarom bleef hij pleiten voor voldoende informatie bij verenigingen, handelaars, lokale besturen, vervoersmaatschappijen en aanbieders van vrije tijd.

Lebbeke als vertrekpunt

De inzet van Moens kreeg een duidelijke lokale basis in Lebbeke. Regionale kranten brachten zijn werk rond de kaart meerdere keren onder de aandacht. Hij werd er beschreven als iemand die het onderwerp consequent op de agenda hield en die vanuit eigen ervaring wilde bijdragen aan een betere positie van personen met een beperking.

In 2016 werd hij samen met staatssecretaris Elke Sleurs gefotografeerd bij de ondertekening en promotie van de kaart. De berichtgeving uit die periode vermeldt dat de kaart personen met een erkende beperking moest helpen bij toegang tot voordelen in verschillende domeinen. Er werd ook gewezen op de mogelijkheid om de werking later verder uit te breiden.

Die lokale aandacht was belangrijk omdat de kaart in de praktijk pas werkt wanneer mensen weten dat ze bestaat. Moens zette zich daarom in voor zichtbaarheid. Hij werkte mee aan communicatie, sprak over de kaart met verenigingen en hield contact met beleidsmensen. De regionale pers bracht die inspanningen als een verhaal van volgehouden belangenbehartiging.

Een digitale weg naar betere informatie

De communicatie rond de kaart kreeg ook een digitale dimensie. Een publicatie over een website rond de Europese kaart voor personen met een beperking beschrijft hoe Pieter Paul Moens de online aanwezigheid mee wilde inzetten om mensen te informeren. De website moest duidelijk maken wie recht heeft op de kaart, hoe men ze kan aanvragen en welke mogelijkheden eraan verbonden zijn.

Voor veel mensen is informatie over ondersteuning versnipperd. Wie een beperking heeft, krijgt vaak te maken met uiteenlopende instanties, formulieren en voorwaarden. Een toegankelijke website kan dan helpen om de weg naar de juiste informatie te verkorten. De inzet voor digitale informatie paste bij het bredere doel van Moens: mensen moeten niet afhangen van toevallige kennis of mond-tot-mondinformatie om hun rechten te kennen.

De documenten vermelden ook de EDC Fan Club Belgium, een werking die de kaart bekend wilde maken en verdere erkenning nastreefde. Via die werking werd aandacht gevraagd voor de dagelijkse betekenis van toegankelijkheid. De kaart werd voorgesteld als een hulpmiddel dat pas effect heeft wanneer organisaties, lokale diensten en beleidsniveaus er ook daadwerkelijk naar handelen.

Steun vanuit Vlaanderen

In oktober 2019 kreeg de kaart opnieuw aandacht in een publicatie over de Vlaamse regering. Daarin staat dat Vlaanderen erkenning voor de kaart vroeg en dat de kaart voordelen kon bieden bij cultuur, sport en vrije tijd. De tekst vermeldt eveneens dat tienduizenden personen met een beperking toen een dergelijk document hadden aangevraagd.

Voor Pieter Paul Moens betekende die evolutie dat het onderwerp niet langer uitsluitend een lokaal initiatief was. De kaart kreeg plaats in het bredere beleid rond gelijke kansen en toegankelijkheid. Toch bleef hij aandacht vragen voor de uitvoering. Een kaart op zich neemt geen fysieke hindernissen weg, opent niet automatisch elke deur en garandeert niet dat elke medewerker weet hoe hij moet handelen. Daarom bleef het nodig om te informeren, op te volgen en aan te dringen op duidelijke toepassing.

De kaart moest volgens de betrokken publicaties niet alleen voordelen mogelijk maken, maar ook bijdragen aan erkenning. Dat begrip is voor veel kaarthouders belangrijk. Mensen met een beperking vragen geen uitzonderingspositie, maar een faire mogelijkheid om deel te nemen aan activiteiten die voor anderen vanzelfsprekend zijn.

De Europese Commissie krijgt vragen uit Lebbeke

Pieter Paul Moens beperkte zijn inzet niet tot België. In een brief van woensdag 2 december 2020 antwoordde de Europese Commissie op vragen die hij had gesteld over de verdere ontwikkeling van de Europese kaart voor personen met een beperking. De Commissie beschreef de kaart als een initiatief binnen het Europese beleid voor personen met een beperking en wees op het belang van wederzijdse erkenning tussen deelnemende landen.

De brief verwijst naar voordelen die kunnen gelden bij cultuur, vrije tijd, sport en vervoer. Ook wordt toegelicht dat de Europese Commissie werkte aan een beoordeling van de werking van het systeem en aan de verdere ontwikkeling ervan. De correspondentie toont dat Moens rechtstreeks contact zocht met de Europese instellingen en dat hij informatie wilde over de toekomst van de kaart.

Voor mensen die reizen, familie bezoeken of deelnemen aan activiteiten in een andere lidstaat, kan wederzijdse erkenning een groot verschil maken. Zonder een gemeenschappelijk systeem kan een kaart die in het ene land betekenis heeft, in een ander land zonder gevolg blijven. Dat leidt tot onzekerheid en extra uitleg. De Europese kaart moest precies daar een antwoord op bieden.

Openbaar vervoer als praktische proef

De werking van de kaart riep ook vragen op over vervoer. In een e-mail van vrijdag 22 januari 2021 liet Michael Van Tillborg, adviseur parlementaire relaties bij het kabinet van Vlaams minister Lydia Peeters, weten dat De Lijn de Europese kaart voor personen met een beperking toen niet kon aanvaarden als bewijs voor een gratis Buzzy Pazz of Omnipas. De vraag was voorgelegd aan de bevoegde minister.

Die correspondentie toont een belangrijk onderscheid. Een kaart kan erkenning geven, maar dat betekent niet automatisch dat elke vervoersmaatschappij of dienst dezelfde gevolgen aan de kaart koppelt. Voor kaarthouders is die duidelijkheid nochtans noodzakelijk. Wie op openbaar vervoer is aangewezen, moet vooraf weten welke documenten aanvaard worden en op welke ondersteuning hij kan rekenen.

Pieter Paul Moens bleef ook op dat soort praktische knelpunten wijzen. Zijn inzet was gericht op een systeem dat niet alleen in theorie bestaat, maar ook bruikbaar is wanneer iemand een ticket nodig heeft, een activiteit wil bezoeken of begeleiding moet regelen. De vraag naar duidelijke afspraken met vervoersmaatschappijen en overheden bleef daardoor een vast onderdeel van het debat.

De Panne zet de kaart lokaal in

De stad De Panne werd in het dossier genoemd als partner van de Europese kaart voor personen met een beperking. Een brochure van de gemeente legt uit dat de kaart toegang kan geven tot voordelen bij lokale handelaars, verenigingen en activiteiten. De stad riep organisaties en ondernemers op om mee te werken aan een toegankelijker aanbod.

In de brochure staat dat personen met een erkende beperking de kaart kunnen aanvragen via de bevoegde overheidsdienst. Zij kunnen de kaart vervolgens gebruiken bij aangesloten partners. De lokale toepassing is belangrijk omdat veel drempels zich niet op Europees niveau voordoen, maar bij een winkel, een culturele activiteit, een sportclub, een gemeentehuis of een toeristische voorziening.

Een andere publicatie over De Panne verwijst naar de regeling waarbij mensen met een erkende beperking vanaf 1 januari 2024 automatisch recht krijgen op gratis vervoer bij De Lijn. In dezelfde tekst wordt de kaart gekoppeld aan mogelijke voordelen voor evenementen en aangepaste voorzieningen. Er is ook sprake van een QR-code waarmee hulpdiensten in bepaalde omstandigheden bijkomende informatie kunnen raadplegen. Dat element sluit aan bij het vroegere pleidooi van Moens voor een hulpmiddel dat bij communicatie en hulpverlening van betekenis kan zijn.

In het Europees Parlement

Pieter Paul Moens bracht het onderwerp ook naar het Europees Parlement. Een publicatie over zijn aanwezigheid op dinsdag 3 december, de Internationale Dag voor personen met een beperking, vermeldt zijn ontmoeting met Roberta Metsola, voorzitter van het Europees Parlement. De bijeenkomst plaatste de Europese kaart voor personen met een beperking in een bredere context van rechten, gelijke kansen en toegankelijkheid binnen de Europese Unie.

Zijn aanwezigheid in Brussel toont dat de inzet rond de kaart niet ophield bij lokale promotie. Moens wilde dat Europese instellingen zicht houden op wat de kaart voor mensen in het dagelijkse leven betekent. Voor hem ging het niet enkel over Europese regels, maar over de vraag of iemand met een beperking in elk land eerlijk behandeld kan worden wanneer hij deelneemt aan cultuur, sport, vrije tijd of vervoer.

Een latere regionale publicatie noemt hem een grote pleitbezorger van de kaart en verwijst naar de Europese ambitie om de kaart in alle lidstaten te laten gelden. Daarbij wordt 2028 genoemd als het jaar waarin de werking in de Europese Unie gerealiseerd moet zijn. De ervaring uit de eerdere proeflanden vormt daarbij een belangrijke basis, maar de uitvoering zal afhankelijk blijven van duidelijke regels en betrokkenheid van lidstaten, diensten en aanbieders.

Ook niet-zichtbare beperkingen horen erbij

Doorheen de volledige geschiedenis blijft één punt terugkomen: een beperking is niet altijd zichtbaar. Mensen met autisme, psychische kwetsbaarheid, chronische aandoeningen of andere niet-zichtbare beperkingen kunnen ondersteuning nodig hebben zonder dat een buitenstaander dat meteen begrijpt. Juist daar ligt volgens de inzet van Pieter Paul Moens een belangrijke opdracht voor beleid en samenleving.

Een kaart mag daarom niet worden opgevat als een etiket. Zij moet een middel zijn waarmee iemand, wanneer dat nodig is, eenvoudiger toegang krijgt tot begrip, ondersteuning en een correcte behandeling. De kaarthouder beslist zelf wanneer hij de kaart gebruikt. Het doel is niet om iemand vast te zetten op een beperking, maar om hindernissen te verminderen wanneer die persoon wil deelnemen aan het openbare leven.

Die benadering verklaart waarom Moens gedurende zoveel jaren bleef terugkeren naar hetzelfde thema. Hij vroeg aandacht voor erkenning, maar evenzeer voor de manier waarop organisaties omgaan met mensen die niet in een standaardprocedure passen. Toegankelijkheid vraagt kennis, voorbereiding en respect. Dat geldt voor overheden, hulpdiensten, vervoersmaatschappijen, scholen, verenigingen en ondernemingen.

Een engagement dat blijft doorwerken

De verzamelde krantenknipsels en documenten tonen een lange geschiedenis van inzet. Pieter Paul Moens bracht een persoonlijk probleem in het publieke debat, zocht steun bij beleidsmakers, sprak verenigingen aan, volgde de Europese evolutie op en bleef aandacht vragen voor praktische uitvoering. Zijn naam bleef daardoor verbonden aan de Europese kaart voor personen met een beperking.

Ook buiten dit centrale thema bleef hij betrokken bij initiatieven rond zorg en hulpverlening. Een publicatie over de pleisterverkoop van Rode Kruis Vlaanderen in Lebbeke toont zijn aanwezigheid bij een actie waarvan de opbrengst bestemd was voor een nieuwe ambulance. Die betrokkenheid sluit aan bij zijn bredere aandacht voor mensen die in hun dagelijks leven afhankelijk kunnen zijn van goede hulp, duidelijke dienstverlening en toegankelijke ondersteuning.

Bronnen:
Fotodossier met regionale krantenknipsels over Pieter Paul Moens en de Europese kaart voor personen met een beperking
Brief van de Europese Commissie aan Pieter Paul Moens van woensdag 2 december 2020
E-mail van Michael Van Tillborg, kabinet van Vlaams minister Lydia Peeters, van vrijdag 22 januari 2021
Brochure Stad De Panne over de Europese kaart voor personen met een beperking
Krantenknipsels over de EDC Fan Club Belgium en de inzet van Pieter Paul Moens

Andy Vermaut +32499357495 (Als je een probleem hebt met de inhoud van een artikel, kan je me altijd mailen op info@indegazette.be – best zo weinig mogelijk mensen in cc zetten, want anders komt dit in de spamfilter terecht. Voor elk artikel geldt een recht op antwoord van betrokkenen tot 3 maanden na publicatie van het artikel. AI wordt gebruikt als redactioneel hulpmiddel. De journalist controleerde de inhoud en feiten.)