Politiek en recht wegen zwaar in debat over religieuze besnijdenis
24 juni 2026
Beleid en grondrechten
Op de EJA-conferentie over besnijdenis, religieuze vrijheid en de toekomst van het Joodse leven in België krijgt ook de politieke en juridische dimensie een eigen plaats. Het luik “Politics, Law and Public Policy” brengt vertegenwoordigers uit bestuur, recht en beleid samen rond een vraag die steeds vaker opduikt in Europese samenlevingen: hoe kan religieuze vrijheid worden beschermd wanneer religieuze praktijken onderwerp worden van politieke en juridische discussie? Besnijdenis raakt daarbij aan grondrechten, minderheidsbescherming, medische beoordeling, ouderlijke verantwoordelijkheid en de manier waarop overheden omgaan met religieuze tradities.
Politieke verantwoordelijkheid
Jinnih Beels, gedeputeerde in de deputatie van de Provincie Antwerpen, neemt deel aan het gesprek. Haar aanwezigheid brengt een bestuurlijke invalshoek in het debat. Politieke besluitvorming rond religieuze vrijheid blijft niet beperkt tot parlementen of rechtbanken. Ook provinciale en lokale bestuurders krijgen te maken met vragen over minderheden, publieke dienstverlening, sociale samenhang en de manier waarop burgers met verschillende levensbeschouwelijke achtergronden zich erkend voelen. In dat kader is de discussie over besnijdenis ook een vraag naar bestuurlijke zorgvuldigheid.
Juridische expertise
Prof. Rik Torfs, emeritus professor aan de Faculteit Kerkelijk Recht van KU Leuven, brengt juridische en academische kennis binnen in het debat. Zijn achtergrond in kerkelijk recht maakt zijn bijdrage relevant voor een discussie waarin religieuze praktijk, recht en overheid elkaar raken. De vraag is niet alleen of een religieuze praktijk maatschappelijk wordt aanvaard, maar ook hoe het recht omgaat met vrijheid van godsdienst, autonomie van religieuze groepen en de grenzen van overheidsoptreden. Besnijdenis wordt daardoor een casus waarin juridische principes heel concreet worden.
Beleid in de provincie Antwerpen
Ook André Gantman, provincieraadslid in de Provincie Antwerpen, is aangekondigd als spreker. Zijn deelname geeft het debat een bijkomende politieke invalshoek vanuit het provinciale niveau. Antwerpen kent een belangrijke Joodse aanwezigheid en is daardoor een plaats waar vragen over Joods leven, religieuze vrijheid en publieke erkenning sterk kunnen doorwegen. In zo’n context is beleid geen abstract begrip. Het gaat over beslissingen, taalgebruik, institutionele houding en de manier waarop religieuze minderheden zich kunnen blijven organiseren.
Wetgeving en maatschappelijke druk
Het luik over politiek, recht en publiek beleid past binnen een breder debat over de plaats van religie in Europa. Wanneer besnijdenis ter discussie wordt gesteld, gaat het niet alleen over medische argumenten of religieuze overtuiging. Het raakt ook aan wetgeving, beleidskeuzes en publieke opinie. Overheden moeten daarbij een moeilijk evenwicht zoeken: ze moeten rechten beschermen, zorgen ernstig nemen en tegelijk vermijden dat religieuze minderheden het gevoel krijgen dat hun tradities onder druk worden gezet door een beleid dat hun dagelijkse geloofspraktijk onvoldoende begrijpt.
Religieuze vrijheid in praktijk
Religieuze vrijheid is geen louter beginsel op papier. Ze wordt pas tastbaar wanneer families hun geloof kunnen beleven zonder voortdurende onzekerheid over de toekomst van hun gebruiken. Voor Joodse families is besnijdenis nauw verweven met religieuze identiteit en de overdracht van traditie. Wanneer dat onderwerp politiek wordt besproken, heeft dat dus gevolgen die verder reiken dan de technische vraag hoe een ingreep wordt uitgevoerd. Het gaat ook over vertrouwen tussen burgers, instellingen en beleidsmakers.
Moderatie door Ralph Pais
Het gesprek wordt gemodereerd door Ralph Pais, EJA Ambassador for The Netherlands. Door een moderator met een EJA-achtergrond krijgt het luik een duidelijke plaats binnen het bredere kader van de conferentie. Het gesprek over politiek, recht en publiek beleid sluit aan bij de eerdere medische en religieuze invalshoeken. Samen tonen die invalshoeken dat het debat over besnijdenis niet kan worden herleid tot één discipline. Het vraagt kennis van religie, recht, geneeskunde, bestuur en maatschappelijke gevoeligheden.
Politiek moet eindelijk duidelijkheid bieden over religieuze besnijdenis
Religieuze besnijdenis blijft in België een gevoelig juridisch en politiek dossier, omdat het raakt aan godsdienstvrijheid, ouderlijke verantwoordelijkheid, kinderrechten, medische veiligheid en de plaats van religieuze minderheden in de rechtsstaat. Tijdens Panel III: Politics, Law and Public Policy, op woensdag 24 juni 2026, om 11.45 uur, werd duidelijk dat de discussie volgens de sprekers niet kan worden teruggebracht tot een louter medische of technische vraag. Jinnih Beels, gedeputeerde bij het provinciebestuur van Antwerpen, Prof. Rik Torfs, emeritus professor aan de faculteit Kerkelijk Recht van KU Leuven, en Andre Gantman, provincieraadslid in Antwerpen, gingen in op de politieke, juridische en maatschappelijke gevolgen van een mogelijk verbod of een verregaande beperking. Ralph Pais, EJA Ambassador for The Netherlands, leidde het gesprek.
Beels wijst op de opdracht van de rechtsstaat
Jinnih Beels vertrok vanuit het principe dat België een liberale democratische rechtsstaat is. Volgens haar betekent dat niet alleen dat een meerderheid vertegenwoordigers kiest om beleid te voeren, maar ook dat die meerderheid de rechten van minderheden moet beschermen. Zij stelde dat beleidsmakers dat volgens haar de jongste jaren te vaak uit het oog verliezen, zeker wanneer gevoelige religieuze praktijken onder politieke druk komen te staan. Beels wees erop dat godsdienstvrijheid niet beperkt kan worden tot het recht om iets te geloven. Het gaat volgens haar ook om het recht om dat geloof daadwerkelijk te beleven en uit te oefenen. Een religieuze praktijk kan volgens haar niet volledig worden teruggedrongen tot de privésfeer, omdat het beleven van geloof ook een zichtbaar en gedeeld karakter heeft. Vanuit die redenering pleitte zij voor een politiek kader waarin minderheden hun geloof veilig kunnen uitoefenen, zonder dat fundamentele rechten tegen elkaar worden uitgespeeld.
Geen rangorde tussen grondrechten
Een belangrijk punt in de tussenkomst van Beels was haar kritiek op het idee dat kinderrechten, ouderlijke rechten en godsdienstvrijheid in een vaste rangorde kunnen worden geplaatst. Volgens haar werkt het zo niet met fundamentele rechten. De taak van de politiek bestaat er volgens haar niet in om één recht automatisch boven een ander recht te zetten, maar wel om ervoor te zorgen dat al die rechten zo goed mogelijk worden beschermd binnen dezelfde samenleving. Vanuit dat standpunt noemde zij de oplossing relatief duidelijk: politici moeten een betrouwbaar kader aanbieden waarbinnen religieuze minderheden hun tradities kunnen voortzetten in veilige omstandigheden. Daarmee legde zij de politieke verantwoordelijkheid rechtstreeks bij de bevoegde beleidsmakers. Voor Beels is het uitblijven van een beslissing geen neutrale houding, maar een keuze die onzekerheid laat voortbestaan.
Prof. Rik Torfs plaatst het debat in een breder juridisch kader
Prof. Rik Torfs waarschuwde dat religieuze besnijdenis niet geïsoleerd mag worden bekeken. Volgens hem dreigt het debat dan te verschuiven naar een te smalle discussie over één praktijk, terwijl de kwestie in werkelijkheid raakt aan de kern van de godsdienstvrijheid. Torfs wees erop dat die vrijheid zowel een individuele als een collectieve dimensie heeft. Ook de vrijheid van interne organisatie binnen religies speelt volgens hem een cruciale rol. Hij maakte een onderscheid tussen twee niveaus in het debat. Eerst is er de principiële vraag of religieuze besnijdenis als praktijk kan worden aanvaard. Daarna volgt pas de vraag onder welke voorwaarden de uitvoering moet gebeuren. Volgens Torfs moeten die twee vragen afzonderlijk en zorgvuldig worden behandeld, omdat ze elk een andere juridische lading hebben.
Risico van te vergaand individualisme
Torfs stelde dat hedendaagse mensenrechteninterpretaties soms sterk individualistisch worden ingevuld. Volgens hem kan dat ertoe leiden dat de collectieve dimensie van religieuze vrijheid te weinig gewicht krijgt. Hij gaf aan dat men, vanuit een doorgedreven zelfbeschikkingsdenken, zou kunnen redeneren dat iemand pas op latere leeftijd levensbeschouwelijke keuzes mag maken. Die redenering kan volgens hem ver doorslaan. Hij wees erop dat ouders hun kinderen ook in een taal, cultuur en overtuigingskader opvoeden. Dat betekent niet dat elke ouderlijke keuze verdacht is. Volgens Torfs moet worden erkend dat kinderen binnen een bredere familiale en religieuze context opgroeien, zonder dat de staat te snel moet ingrijpen in eeuwenoude religieuze tradities.
Rechters mogen religie niet zelf invullen
Een tweede aandachtspunt van Torfs ging over de rol van rechtbanken. Hij verwees naar het debat over rituele slachtingen en naar rechtspraak waarin rechters zich bogen over de vraag wanneer essentiële religieuze vereisten al dan niet vervuld zijn. Volgens Torfs is dat een belangrijke evolutie, omdat seculiere rechters dan zelf gaan bepalen wat binnen een religieuze traditie essentieel is. Hij waarschuwde dat dit verregaande gevolgen kan hebben. Rechters beschikken volgens hem niet altijd over voldoende kennis van de religieuze traditie die zij beoordelen. Daarom moeten zij zeer voorzichtig zijn om niet te gemakkelijk te beslissen welke elementen van een geloof wel of niet wezenlijk zijn. Voor Torfs moeten religieuze groepen in de eerste plaats zelf kunnen aangeven wat voor hen essentieel is. De staat kan grenzen stellen, maar moet dat volgens hem doen met grote terughoudendheid wanneer het gaat om oude en wezenlijke praktijken.
Medische veiligheid en religieuze uitvoering
Torfs maakte tegelijk duidelijk dat godsdienstvrijheid niet onbeperkt is. Er bestaan grenzen wanneer praktijken in strijd komen met dwingende belangen, zoals volksgezondheid of fundamentele bescherming van personen. Toch zag hij in het geval van religieuze besnijdenis geen reden om de praktijk op voorhand buiten de godsdienstvrijheid te plaatsen. Volgens hem hoeft de uitvoering ook niet noodzakelijk door een arts of verpleegkundige te gebeuren, zolang er andere waarborgen zijn. Hij stelde dat de persoon die de besnijdenis uitvoert zelf deel uitmaakt van het religieuze kader. Daardoor kan de praktijk volgens hem niet zomaar worden overgedragen aan een willekeurige ziekenhuisarts. Wel kan volgens hem worden nagedacht over erkenning, opleiding of controle, bijvoorbeeld via een commissie die vaststelt of uitvoerders voldoende garanties bieden op het vlak van gezondheid en veiligheid.
Gantman verdedigt de plaats van de mohel
Andre Gantman sloot aan bij de redenering dat de rol van de mohel niet los kan worden gezien van de religieuze betekenis van de brit milah. Volgens hem rijst de vraag waarom een ervaren en opgeleide religieuze uitvoerder de ingreep niet langer zou mogen verrichten wanneer de betrokken religieuze instanties zelf strikte voorwaarden opleggen. Hij verwees naar eerdere debatten waarin ook medische expertise aan bod kwam en stelde dat er geen aanwijzingen werden aangevoerd dat de huidige praktijk een probleem vormt wanneer zij binnen duidelijke voorwaarden gebeurt. Gantman maakte duidelijk dat het debat voor hem niet alleen over procedure of techniek gaat, maar over de erkenning van het Joodse geloof zelf. Hij zei dat hij nooit had verwacht dat hij in 2026 nog zou moeten pleiten voor die erkenning.
Brit milah als historische kernpraktijk
Gantman plaatste de brit milah in een historische lijn. Hij wees erop dat pogingen om deze praktijk te verbieden niet nieuw zijn in de Joodse geschiedenis. Hij verwees naar de periode van de Seleuciden en naar de betekenis van Chanoeka, waarbij de herinnering aan strijd rond religieuze vrijheid centraal staat. Voor Gantman toont die geschiedenis aan dat de brit milah niet als een randpraktijk kan worden behandeld. Zij behoort tot de kern van de Joodse traditie. Volgens hem zal die strijd niet worden verloren, omdat zij raakt aan de blijvende plaats van het Joodse geloof in de samenleving. Zijn tussenkomst gaf het debat daardoor een duidelijke historische en identitaire dimensie.
Mogelijk oud wettelijk kader
Een opvallend juridisch element kwam van Gantman, die verwees naar een koninklijk decreet van 3 juli 1820, uit de periode waarin België nog deel uitmaakte van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Volgens hem zou dat decreet een wettelijk kader hebben vastgelegd rond de brit milah. Omdat België na de onafhankelijkheid in 1830 niet alle bestaande regelgeving verwierp, kan volgens die redenering worden onderzocht of de regeling van 1820 vandaag nog juridische betekenis heeft. Gantman sprak daar voorzichtig over, omdat er nog procedures lopen en juridische vragen openstaan. Toch noemde hij het een relevant spoor. Het zou betekenen dat het debat niet alleen gaat over nieuwe regelgeving, maar ook over de vraag of er al een historische basis bestaat die niet volledig uit het huidige recht is verdwenen.
Politieke moed als beslissende factor
In het slotdeel keerde Beels terug naar de politieke verantwoordelijkheid. Volgens haar geeft België een verkeerd signaal aan Joodse en andere religieuze minderheden wanneer fundamentele religieuze praktijken telkens opnieuw in juridische onzekerheid belanden. Zij stelde dat het vandaag bijzonder moeilijk is om zich volwaardig thuis te voelen wanneer een wezenlijk onderdeel van de eigen traditie voortdurend ter discussie staat. Beels riep beleidsmakers op om niet te blijven schuiven met dossiers, maar verantwoordelijkheid te nemen. Volgens haar ligt er al een voorstel vanuit Joodse kringen en is er ruimte om tot een oplossing te komen. De vraag is volgens haar niet of men zelf gelooft, maar of men als beleidsmaker het belang van religieuze traditie kan erkennen en daar een ernstig kader voor wil maken.
Een debat dat verder gaat dan één praktijk
De drie sprekers vertrokken vanuit verschillende rollen, maar kwamen op één punt opvallend dicht bij elkaar uit. Zij zagen religieuze besnijdenis niet als een losstaand medisch debat, maar als een toetssteen voor de manier waarop België omgaat met minderheden, grondrechten en politieke besluitvorming. Beels legde de nadruk op de verantwoordelijkheid van de rechtsstaat. Torfs waarschuwde voor een te smalle lezing van godsdienstvrijheid en voor rechters die religieuze inhoud zelf invullen. Gantman maakte duidelijk dat de brit milah voor Joodse gelovigen niet kan worden teruggebracht tot een technische ingreep. Daardoor kreeg het panel een duidelijke boodschap: juridische zekerheid is nodig, maar die zekerheid moet vertrekken vanuit respect voor religieuze vrijheid én veilige uitvoering.
Andy Vermaut +32499357495 (Als je een probleem hebt met de inhoud van een artikel, kan je me altijd mailen op info@indegazette.be – best zo weinig mogelijk mensen in cc zetten, want anders komt dit in de spamfilter terecht. Voor elk artikel geldt een recht op antwoord van betrokkenen tot 3 maanden na publicatie van het artikel. AI wordt gebruikt als redactioneel hulpmiddel. De journalist controleerde de inhoud en feiten.)


