Politieke blokkades in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest na de verkiezingen van 9 juni 2024: een verslag over een gefragmenteerd landschap

De regionale verkiezingen van 9 juni 2024 hebben in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gezorgd voor een ongezien versnipperd politiek landschap. Hoewel bepaalde partijen een duidelijk mandaat claimen, slaagt geen enkele formateur erin een breed gedragen coalitie te smeden. De traditionele breuklijnen tussen linkse, rechtse en communautair gekleurde partijen blijken hardnekkiger dan ooit, en tegelijk groeien de radicalere flanken. In dat klimaat woedt een felle discussie over de morele plicht om de winnaars van de stembusgang te betrekken bij het bestuur van de hoofdstad van Europa. Vele Brusselaars blijven intussen achter met vragen over hoe het verder moet wanneer het bestuur zich vastklampt aan de grondwettelijke logica van lopende zaken, terwijl de urgente grootstedelijke uitdagingen onverminderd doorwoekeren.
De juridische fundamenten die de machtsverhoudingen in Brussel regelen, zijn verankerd in de Belgische Grondwet en in bijzondere wetten die de Brusselse instellingen vormgeven. Voor het Brussels Gewest geldt dat de minister-president en zijn of haar ministers een meerderheid moeten vinden in het Brussels Hoofdstedelijk Parlement. Dat parlement telt 89 leden, van wie er 72 tot de Franstalige taalgroep behoren en 17 tot de Nederlandstalige. Een regeringsploeg is pas legitiem als ze aan beide kanten op voldoende steun kan rekenen. De Grondwet zwijgt niet over de deelstaten, maar zij regelt wel de scheiding der machten en de wijze waarop bevoegdheden worden toebedeeld. Tegelijk is er geen harde wettelijke deadline die een spoedige regeringsvorming dwingend oplegt. Zoals ook op federaal niveau, mag een uittredende regering in principe de lopende zaken afhandelen zolang de impasse voortduurt, zonder dat een precieze einddatum bestaat.

Deze langdurige blokkade raakt echter de kern van wat een democratie inhoudt. In een evenredig kiesstelsel als het Belgische heeft elke partij recht op representatie in het parlement, maar wie exact gaat besturen, wordt bepaald door de coalitieonderhandelingen. Wanneer kiezers een partij via de stembus tot winnaar kronen, ontstaat er een morele verwachting: wie sterk scoort, zou normaal in staat moeten zijn om beleid te voeren. In Brussel zien we echter dat de grootste formaties soms impliciet of expliciet uitgesloten worden door een kluwen van kleinere partijen die hun vetorecht hanteren. Dat doet twijfels rijzen over de vertaalslag van de verkiezingsuitslag naar het beleid: als de grootste partij of partijen telkens buiten spel worden gezet, rijst de vraag in hoeverre de wil van de kiezer werkelijk wordt gerespecteerd.
Op juridisch vlak is er weinig dat deze situatie doorbreekt. Het Brussels Parlement is pas verplicht een nieuwe regering goed te keuren wanneer de onderhandelingen tot een akkoord leiden. Zolang dat niet gebeurt, blijft de oude ploeg de lopende zaken behartigen. De grondwettelijke waarborgen vermijden een institutioneel vacuüm: de continuïteit van bestuur is gegarandeerd, maar zonder een volwaardig mandaat kan men zich enkel beperken tot het hoogstnoodzakelijke. In het Gewest, dat als hoofdstad van de Europese Unie een visitekaartje is voor Europa, veroorzaakt deze stilstand een groeiend onbehagen. Dat onbehagen wordt versterkt door de realiteit van de Brusselse samenleving: een diverse grootstad met acute noden op het vlak van mobiliteit, sociale huisvesting, veiligheid, milieu en tweetalige dienstverlening. In elk van die dossiers wachten burgers en organisaties op langetermijnvisie en investeringen, maar ze botsen telkens op de remmende werking van de politieke impasse.
De morele verantwoordelijkheid van de verkozenen weegt in dit klimaat zwaar. In een representatieve democratie verwacht de bevolking dat politici bruggen bouwen, zelfs wanneer de verkiezingsuitslag geen vanzelfsprekende meerderheid oplevert. De oproep om de winnaars te laten meebesturen raakt aan de kern van ieder participatief bestel: wanneer een duidelijke keuze van de kiezer genegeerd wordt in de bestuursvorming, riskeert men de geloofwaardigheid van het regime te ondermijnen. Tegelijk is het in België schering en inslag dat ook middelgrote partijen of zelfs kleinere fracties onmisbaar worden om de institutionele meerderheden op beide taalgroepen in balans te houden. Deze paradox leidt tot aanvaringen waarbij sommige partijen hun veto uitspreken tegen vermeende extremisten, terwijl anderen weigeren te regeren met partijen die hun programmapunten té radicaal of té communautair invullen. De vraag is dan waar de grens ligt tussen terechte principevastheid en het ontnemen van democratische invloed aan een groot deel van het electoraat.

Intussen verstoort de blokkade de bestuursvoering in Brussel. Het gewest dat symbool staat voor de Europese integratie en waar zowel talrijke Europese instellingen als de NAVO zetelen, zoekt leiding voor enkele kernproblemen. De afwerking van mobiliteitsplannen en de verdere uitrol van de openbaarvervoersinfrastructuur vragen verregaande politieke coördinatie en budgetten, maar die raken niet gebetonneerd zolang er geen solide regeerakkoord is. Ook de huisvestingscrisis, die na de pandemie verder is geëscaleerd, blijft onverminderd aanslepen. Talrijke Brusselaars wachten op meer sociale woningen, duidelijke huurregulering en renovatiepremies. Zulke structurele ingrepen vereisen een krachtige regering, maar precies die ontbreekt al maanden. Voor de begrotingsopmaak geldt hetzelfde: het Gewest drijft op voorlopig beheer, waardoor men cruciale beslissingen voor zich uitschuift. De burgers ervaren zodoende een vorm van politieke immobiliteit die het vertrouwen in de instellingen doet slinken.
Naast de institutionele en sociaal-economische gevolgen zijn er ook communautaire en symbolische spanningen die oplaaien. Het Brussels Gewest heeft door zijn tweetalige karakter en zijn status als apart gewest binnen België een bijzonder evenwichtsmodel dat verankerd is in de bijzondere wet op de Brusselse instellingen. Dit model garandeert dat geen enkele taalgroep eenzijdig kan regeren. Wanneer de coalitievorming echter geblokkeerd blijft door een veto van de ene tegen de andere partij, komt de vraag op of de regiostructuur niet aan hervorming toe is. Ook duikt de gedachte op of er niet striktere regels nodig zijn om de kiezerswil sneller om te zetten in de samenstelling van de regering. Sommigen pleiten voor sterkere grondwettelijke bepalingen die na een bepaalde periode zonder regering automatisch naar nieuwe verkiezingen leiden, zoals in Spanje. Anderen vrezen echter dat vervroegde verkiezingen de extremen verder zouden voeden en niets zouden oplossen.
De grondwettelijke principes die nu tot stilstand leiden, zijn ooit ontworpen om elke taalgemeenschap en elke stroming recht te doen. Overheid en bestuur zijn gebaat bij checks and balances, maar in crisissituaties kunnen die waarborgen verlammend werken. In de praktijk blijkt dat, zolang het parlement niet akkoord gaat, de vorige ministers blijven regeren in lopende zaken en de tikkende klok geen pressiemiddel is. De politieke spelers ondervinden daardoor geen directe dwingende prikkel om te compromisbereidheid te komen. De morele roep om verantwoordelijkheid is dus de enige reële drijfveer. Wanneer partijen die morele plicht niet voelen, of wanneer ze hopen bij een volgende stembusgang nog sterker te scoren, treedt een patstelling op die ver reikt in de tijd. De inwoners van Brussel merken dan dat veel sectoren noodgedwongen aan de zijlijn blijven toekijken, wat het vertrouwen in de politieke elite verder ondermijnt.

Tegen deze achtergrond manifesteren actiegroepen, burgers en middenveldorganisaties hun onvrede. Ze wijzen naar de preambule van de Grondwet, waar de volkssoevereiniteit en de democratische rechtsstaat in het vaandel staan, en ze vragen zich af of het niet onredelijk is dat coalitiesluiting zich tot in het oneindige kan voortslepen. Hoewel de Belgische staatsstructuur het politieke immobilisme formeel toelaat, stijgt de druk om het verantwoordingselement scherper in te vullen. Sommigen willen daarom dat het Brussels Parlement expliciet nieuwe regels opstelt, bijvoorbeeld een maximumnorm voor de regeringsvorming of een mechanisme waarbij de grootste partij(en) automatisch in de regering vertegenwoordigd moeten zijn. Zo’n hervorming zou de consensuscultuur drastisch veranderen, maar zou wel tegemoetkomen aan het democratisch gevoel dat een electorale overwinning niet genegeerd mag worden.
Uiteindelijk blijft de oproep tot compromis de meest klassieke weg uit de impasse. In een grootstad als Brussel, waar democratie en diversiteit zouden moeten heersen, is geen enkel bestuur levensvatbaar als het niet berust op pragmatische akkoorden over cruciale thema’s. Meer dan in eender welk gewest is samenwerking over ideologische en communautaire grenzen heen noodzakelijk om bijvoorbeeld het openbaar vervoer te moderniseren, sociale achterstelling aan te pakken en tweetalige diensten te blijven garanderen. Dat besef dringt bij alle partijen door, maar het vertalen van die overtuiging in een stabiele regering is een hachelijke evenwichtsoefening. Het morele gebod om de sterkste electorale krachten te laten meebesturen botst immers op diepgewortelde vetomechanismen tegen radicalen of separatisten. Tegelijk deinzen centrumpartijen soms terug voor samenwerking met flankerende partners die te ver van hun beleidsvisie staan.
De grondwet zelf zal niet snel uitkomst bieden, aangezien deze geen strikte timing oplegt en ook geen dwingende voorschriften bevat die verkiezingswinnaars garanderen dat zij mee regeren. Integendeel, de Belgische traditie is er een waarin alle partijen een bepaalde onderhandelingsmacht bezitten, zeker in Brussel waar de numerieke balans per taalgroep nog meer lagen van overleg vereist. Pas wanneer de partijen inzien dat verdere verlamming hun geloofwaardigheid ondermijnt én de levenskwaliteit van de bewoners verslechtert, ontstaat de politieke ruimte voor een doorgedreven compromis. Deze stap ligt in handen van de partijvoorzitters en fractieleiders die zich vaak beroepen op de democratische legitimiteit om principieel aan hun programmapunten vast te houden, maar daarmee ook de verantwoordelijkheid dragen voor het welzijn van de stad.

De vraag hoe lang het Brussels Gewest deze toestand kan aanhouden, blijft open. Historisch heeft België al vaker lang zonder regering gezeten, maar in een hoofdstedelijk gewest met immense uitdagingen kan een te grote vertraging directe schade berokkenen aan het socio-economische weefsel, de leefbaarheid en de internationale uitstraling. In elke democratie is het logisch dat de winnaars een plek in het bestuur krijgen. Zo’n bestuursdeelname moet echter hand in hand gaan met compromisbereidheid, respect voor de instellingen en oog voor de noden van alle Brusselaars. Een eenzijdig negeren van sterke electorale signalen kan de kloof met het publiek verdiepen en extremen verder doen groeien, terwijl het te voortvarend insluiten van radicale spelers het beleid kan ontwrichten. Tussen die twee polen moet nu een uitweg gevonden worden die recht doet aan de uitslag van 9 juni 2024 én aan het algemeen belang van het Gewest.
Of deze politieke blokkade weldra doorbroken wordt, zal afhangen van de wil van de hoofdrolspelers om voorrang te geven aan de stad in plaats van aan partijpolitieke rekenmodellen. Elke verwijzing naar de Belgische Grondwet onderstreept immers dat het bestuur in dienst staat van het volk, en dat waarborgen ter bescherming van minderheden of taalgroepen niet bedoeld zijn om een meerderheid voor onbepaalde tijd te gijzelen. De morele roep is helder: geef ruimte aan de verkiezingsuitslag, betrek de winnaars bij het bepalen van een nieuwe koers, maar respecteer tegelijkertijd de fundamenten van de Brusselse samenwerking. Alleen zo kan de hoofdstad haar bestuur hervinden en de strijdbijl tussen partijen begraven, tot profijt van de bewoners en van de Europese instellingen die dagelijks met Brussel in aanraking komen. Als deze politieke plicht niet wordt ingevuld, dreigt het Gewest in een zorgwekkende stilstand terecht te komen, wat noch de Grondwet, noch de burgerbevolking kan tolereren.
Bronnen
Belgische Grondwet (artikelen over de bevoegdheidsverdeling en regeringsvorming)
Bijzondere wet tot hervorming der instellingen (voor de institutionele organisatie van het Brussels Gewest)
Federale Overheidsdienst (FOD) Binnenlandse Zaken – Officiële informatie over verkiezingen en regeringsvorming
Officiële portaalsite Brussels Hoofdstedelijk Gewest:
https://be.brussels/nl/over-het-gewest/structuur-en-organisatie/parlement-ministers/de-gewestregering
Diverse parlementaire verslagen en mediaberichten over de coalitieonderhandelingen in Brussel (2024-2025)


