Waarom zit Lee Man-hee op 95-jarige leeftijd nog vast? Internationale experts zetten Zuid-Korea voor pijnlijke vragen

7 augustus 2026
In Seoul werd op vrijdag 7 augustus 2026 een vraag gesteld die tijdens een internationale bijeenkomst over religieuze vrijheid steeds opnieuw terugkeerde: waarom zit Lee Man-hee, de hoogbejaarde leider van Shincheonji Church of Jesus en veteraan van de Koreaanse Oorlog, nog altijd in voorarrest? Europese mensenrechtenverdedigers, juristen en onderzoekers beperkten zich daarbij niet tot zijn persoonlijke situatie. Ze trokken een veel bredere lijn langs politieke inmenging, religieuze minderheden, mediaframes, de bevoegdheden van de overheid, een omstreden Zuid-Koreaans wetsvoorstel, de ontbinding van de Family Federation in Japan, vermeende gedwongen geloofsafval, de rol van China, de houding van Europa en de vraag of een democratische rechtsstaat ook standhoudt wanneer een religieuze beweging maatschappelijk weinig sympathie geniet. Ongeveer dertig journalisten zaten in de zaal. Andere media volgden online vanuit verschillende landen. De bijeenkomst eindigde niet met woorden alleen. Europese deelnemers ondertekenden een verklaring waarin zij vroegen Lee Man-hee uit voorarrest vrij te laten zodat hij zijn proces buiten de gevangenis kan afwachten. Die verklaring zou dezelfde dag persoonlijk worden overgebracht aan de National Human Rights Commission of Korea.
Geen discussie over theologie maar over de grens van staatsmacht
Human Rights Without Frontiers was vanuit Brussel naar Zuid-Korea gekomen omdat volgens de organisatie ontwikkelingen in het land raken aan twee fundamentele democratische vrijheden: vrijheid van religie of levensovertuiging en vrijheid van meningsuiting. Hans Noot maakte vanaf het begin duidelijk dat de inzet volgens hem niet bestond uit het verdedigen van één kerk, theologie of religieuze beweging. Hij plaatste drie vragen centraal. Wordt overheidsmacht neutraal toegepast? Zijn beperkingen en detentiemaatregelen evenredig? En worden impopulaire religieuze bewegingen juridisch op dezelfde manier behandeld als andere maatschappelijke organisaties? Hij wees daarbij op gevallen waarin religieuze bijeenkomsten zouden zijn beperkt of geannuleerd, op administratieve druk en op het voorarrest van religieuze leiders. Ook de media kregen rechtstreeks een verantwoordelijkheid toegeschoven. Journalisten moesten volgens Human Rights Without Frontiers niet alleen verslag doen van controverses, maar ook nagaan of de taal waarmee religieuze organisaties worden beschreven eerlijk is, of procedures evenredig verlopen en of kritische stemmen dezelfde bescherming krijgen als andere burgers. De centrale keuze werd daarmee bewust uitdagend geformuleerd: beschermen recente maatregelen de openbare orde, of tasten sommige maatregelen juist fundamentele vrijheden aan?
Thierry Valle spreekt van een gestage aantasting
Thierry Valle, voorzitter van CAP Liberté de Conscience in Frankrijk, gebruikte zware woorden. Volgens hem is in Zuid-Korea geen sprake van één plots incident maar van een geleidelijke aantasting van de vrijheid van religie of levensovertuiging. Zijn organisatie zegt alle religies en ook mensen zonder religie te verdedigen omdat godsdienstvrijheid volgens Valle geen voorrecht is dat alleen populaire overtuigingen toekomt. Hij verwees naar verschillende internationale interventies. In februari 2025 diende zijn organisatie volgens hem een schriftelijke verklaring in tijdens de 58ste zitting van de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties over de annulering van een Shincheonji World Youth Event in Incheon Grand Peace Park. Conservatieve groepen zouden vooraf druk hebben uitgeoefend op de autoriteiten. In november 2024 sloot de organisatie zich volgens Valle aan bij een open brief aan de Zuid-Koreaanse president uit protest tegen die beslissing. Later volgden nieuwe verklaringen over de positie van Shincheonji, de Unification Church en andere religieuze minderheden die in Zuid-Korea als pseudo-religies worden omschreven. Valle koppelde zijn kritiek aan artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Iedere beperking op een fundamenteel recht moet volgens dat juridische kader wettelijk voorzien, noodzakelijk en evenredig zijn.
Een VN-rapport uit 2011 wordt opnieuw bovengehaald
Valle bracht ook een ouder dossier terug in de discussie. Hij verwees naar een rapport uit 2011 van de speciale VN-rapporteur voor vrijheid van religie of levensovertuiging. Daarin werd Zuid-Korea volgens hem aangespoord om vage bepalingen zoals artikel 7 van de National Security Act te herbekijken en strafrechtelijke laster uit het strafrecht te verwijderen. Voor Valle is dat relevant omdat Zuid-Korea verdragen heeft geratificeerd die het land internationaal binden. Nationale wetgeving kan volgens hem daarom niet los worden gezien van internationale verplichtingen. Zijn boodschap was dat een democratische staat ook in politiek gevoelige dossiers moet kunnen uitleggen waarom een beperking noodzakelijk is en waarom geen minder ingrijpende maatregel mogelijk was.
Taskforce, tientallen opgeroepen gelovigen en miljarden won schade
De Franse mensenrechtenvertegenwoordiger ging daarna veel verder. Hij verwees naar materiaal dat zijn organisatie tijdens latere VN-zittingen had aangebracht. Volgens Valle werd in december 2025 een gezamenlijke vervolgingstaskforce opgericht en werden tientallen gelovigen opgeroepen voor ondervraging. Hij sprak over ruim zestig personen en over dossiers die volgens zijn organisatie opnieuw werden geopend nadat ze eerder waren afgesloten. Hij verwees ook naar de Covidperiode en stelde dat disproportionele sluitingen een financieel verlies van 5,8 miljard Koreaanse won zouden hebben veroorzaakt. Verder bracht hij gevallen van gedwongen geloofsafval ter sprake en sprak hij over een overlijden in 2025 dat volgens zijn organisatie verband hield met dergelijke praktijken. Het zijn ernstige aantijgingen die tijdens de bijeenkomst door Valle werden aangevoerd als onderdeel van een patroon dat zijn organisatie bij internationale instellingen aan de orde stelt.
Een minister, een ‘valse profeet’ en een fundamenteel probleem
De meest politiek geladen kritiek draaide rond uitspraken die aan de Zuid-Koreaanse minister van Justitie werden toegeschreven. Valle stelde dat de minister Lee Man-hee publiek een valse profeet had genoemd en dat hij straf als onvermijdelijk had voorgesteld terwijl de strafprocedure nog liep. Dat riep volgens Valle een directe vraag op over het vermoeden van onschuld. Een minister behoort volgens die redenering niet de indruk te wekken dat een juridische uitkomst al vaststaat voordat een rechtbank daarover heeft beslist. Valle vroeg daarom niet alleen waarom Lee Man-hee wordt vervolgd, maar vooral waarom een hoogbejaarde man bij niet-gewelddadige verdenkingen in een gevangenis moet blijven terwijl zijn procedure nog loopt. Hij riep Zuid-Korea op de noodzaak van het voorarrest opnieuw te beoordelen, de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht te beschermen en internationale regels over de behandeling van gedetineerden te respecteren. Zijn slotvragen waren bewust confronterend: waarom blijft een 95-jarige man vastzitten, waarom kunnen religieuze organisaties volgens hem op basis van publieke campagnes in hun voortbestaan worden bedreigd en waarom lijkt de strafrechtelijke aanpak volgens hem niet voor iedere religieuze actor dezelfde?
Márk Nemes richt vizier op woorden van de overheid
De Hongaarse filosoof en religiewetenschapper Márk Nemes maakte van de publieke taal van de regering een hoofdthema. Nemes promoveerde in 2025 en is verbonden aan de Hungarian Academy of Arts, waar hij onderzoek verricht naar kunst, esthetiek en religiositeit. Daarnaast is hij medeoprichter van CESAR, een netwerk voor academisch onderzoek naar religie in Centraal- en Oost-Europa. Nemes verwees naar een lange Facebookboodschap van de Zuid-Koreaanse minister van Justitie van 27 juni. Volgens Nemes was het onderzoek toen nog niet definitief afgerond, terwijl de minister volgens hem al verklaarde dat strafrechtelijke bestraffing onvermijdelijk was. Dat vond hij zorgwekkend.
Meer dan vijftigduizend vermeende partijregistraties
Nemes haalde tijdens zijn bijdrage de beschuldigingen tegen Lee Man-hee zelf aan. Volgens de door hem voorgelezen verklaring werd Lee Man-hee ervan beschuldigd ruim vijftigduizend gelovigen als leden van een politieke partij te hebben laten registreren. Die massale inschrijvingen zouden verband hebben gehouden met belangrijke politieke momenten zoals presidentsverkiezingen, lokale verkiezingen en verkiezingen binnen partijen. De beschuldiging luidt dat daardoor de politieke wil van partijen en burgers zou zijn verstoord en het grondwettelijke beginsel van scheiding tussen religie en staat zou zijn geschonden. Nemes trok niet de conclusie dat dergelijke beschuldigingen nooit mogen worden onderzocht. Zijn kritiek ging naar de manier waarop volgens hem vanuit politieke hoek over het dossier werd gesproken terwijl de rechter zich nog moest uitspreken.
Mag religie dan nog iets over politiek zeggen?
Daarna verschoof Nemes de aandacht naar een principiële kwestie. Hij verzette zich tegen een interpretatie van de scheiding tussen religie en staat waarbij religieuze organisaties zich niet meer over maatschappelijke thema’s zouden mogen uitspreken. Volgens hem worden morele en ethische vragen al eeuwen binnen religieuze omgevingen besproken. Burgers ontlenen politieke overtuigingen soms aan religie, soms aan filosofie en soms aan andere levensbeschouwingen. De vraag is daarom volgens Nemes niet of een gelovige een politieke mening mag hebben. Het juridische probleem ontstaat wanneer aantoonbare dwang, verboden partijpolitieke sturing of andere strafbare gedragingen in beeld komen. Nemes stelde dat de Zuid-Koreaanse regels rond opmerkingen van religieuze leiders over verkiezingen uitzonderlijk streng zijn. Hij verwees naar mogelijke gevangenisstraffen tot drie jaar, maar stelde dat andere religieuze leiders die verkiezingsadvies of politieke commentaar hadden gegeven vaak met relatief beperkte geldboetes waren geconfronteerd. Daarmee wilde hij aantonen dat vooral de proportionaliteit en gelijkheid van de toepassing moeten worden onderzocht.
Niet alleen Shincheonji wordt genoemd
Nemes maakte duidelijk dat zijn bezorgdheid volgens hem niet beperkt is tot Shincheonji. Hij verwees eveneens naar de Unification Church en naar protestantse leiders die onderwerp werden van onderzoeken. Hij noemde een Presbyteriaanse pastor uit Busan die volgens zijn uiteenzetting maanden in voorlopige hechtenis verbleef na een zaak rond politieke bijeenkomsten. Ook Pastor Kim Young-ok, die hij omschreef als voorzitter van Far East Broadcasting Company en voormalig voorzitter van de Baptist World Alliance, werd als voorbeeld genoemd. Daarnaast verwees Nemes naar politieacties bij gebouwen van de Yoido Full Gospel Church. Zelfs katholieke geestelijken zouden volgens hem niet buiten discussies over religieuze politieke uitingen blijven. Daarmee wilde Nemes duidelijk maken dat de kwestie volgens hem veel groter is dan één omstreden religieuze beweging.
Een minister haalt de Bijbel erbij
Een van de opmerkelijkste passages in de bijdrage van Nemes ging over de vermenging van staatsrechtelijke en religieuze taal. Hij zei dat de minister in zijn publieke boodschap had gesteld dat de staat zich in de seculiere sfeer moet bewegen en religie in de spirituele sfeer om democratie en vrede te behouden. De overheid zou streng optreden wanneer religie volgens haar wordt gebruikt als instrument voor macht. Daarna zou de minister Matteüs 7:15 hebben aangehaald, het Bijbelgedeelte waarin wordt gewaarschuwd voor valse profeten. Voor Nemes maakte juist die combinatie de situatie problematisch: wanneer een minister namens een seculiere overheid theologische termen gebruikt in een lopende zaak rond een religieuze leider, ontstaat volgens hem de indruk dat de staat niet uitsluitend vermeend strafbaar gedrag beoordeelt, maar zich ook in religieuze kwalificaties mengt.
Michael Langhans zag tranen buiten een detentiecentrum
Michael Langhans, een Duitse jurist die onder andere werkzaam is rond vrijheid van religie of levensovertuiging, koos een andere invalshoek. Hij vertelde dat hij naar Zuid-Korea was gekomen om mogelijke schendingen van godsdienstvrijheid te onderzoeken. Wat hij aantrof waren volgens hem mensen in wanhoop, mensen die huilden en baden voor een detentiecentrum, en een ruimte die volgens zijn waarneming voor kerkdiensten bestemd was maar niet mocht worden gebruikt. Voor Langhans ging het daardoor niet uitsluitend over Lee Man-hee of Shincheonji. Hij wilde de discussie voeren over de regels die burgers moeten beschermen en over de mogelijkheid dat een bepaalde juridische benadering zich naar andere Aziatische landen verspreidt.
Van de grondwet van Frankfurt naar Zuid-Korea
Langhans maakte vervolgens een historische vergelijking. Hij verwees naar de Frankfurter Grondwet van 1849, waarin burgerrechten en burgerplichten volgens hem niet op religieuze basis mochten worden beperkt. Die grondwet trad uiteindelijk nooit in werking, maar Langhans gebruikte het voorbeeld om een breder principe te illustreren: burgers hebben tegelijk een religieuze en een burgerlijke identiteit. De Zuid-Koreaanse grondwet kent een strikte scheiding tussen religie en staat, maar volgens Langhans is de praktische betekenis daarvan onvoldoende duidelijk wanneer godsdienstige overtuiging en maatschappelijke participatie elkaar raken. Hij haalde ook John Rawls aan. Politieke macht moet volgens Rawls kunnen worden verantwoord tegenover redelijke burgers. Langhans vroeg daarom of burgers een systeem kunnen aanvaarden waarin geloofsbeleving wordt beperkt terwijl religieuze organisaties tegelijk een actieve maatschappelijke functie hebben.
Kerken betalen belastingen, beheren scholen en leveren sociale diensten
Voor Langhans is de voorstelling van religie als iets dat uitsluitend achter de muren van een gebedshuis thuishoort kunstmatig. Gelovigen betalen belastingen. Kerken richten scholen op. Religieuze organisaties leveren sociale ondersteuning. Burgers stappen niet uit hun religieuze identiteit zodra ze deelnemen aan het maatschappelijke leven. Daarom kan volgens hem een absolute scheiding tussen een religieuze en een seculiere wereld niet functioneren. Hij erkende tegelijk dat publieke belangen, waaronder de eerlijkheid van verkiezingen, beperkingen kunnen rechtvaardigen. Zijn punt was dat zulke beperkingen niet de kern van godsdienstvrijheid mogen aantasten.
Roosevelt en vier vrijheden krijgen plots Zuid-Koreaanse betekenis
Langhans greep ook terug naar Franklin D. Roosevelt en diens vier vrijheden uit 1941: vrijheid van meningsuiting, vrijheid van godsdienst, vrijwaring van gebrek en vrijwaring van angst. Hij vroeg of één van die vrijheden werkelijk kan bestaan wanneer de andere worden genegeerd. Daarmee plaatste hij de discussie in een historisch mensenrechtenkader. Voor hem is het probleem niet dat de Zuid-Koreaanse overheid regels heeft. Het probleem ontstaat wanneer de toepassing daarvan burgers angst aanjaagt of religieuze participatie op voorhand verdacht maakt. Hij verwees bovendien naar de Verenigde Staten, waar religieuze kiezers openlijk een rol spelen in verkiezingscampagnes. Donald Trump werd door Langhans aangehaald als voorbeeld van een politicus die religieuze kiezers actief mobiliseert. Dat wil volgens hem niet zeggen dat Zuid-Korea Amerikaanse regels moet kopiëren, maar wel dat democratieën heel verschillend omgaan met de aanwezigheid van religie in politiek.
Jehovah’s Getuigen als precedent voor verandering
Langhans herinnerde aan een belangrijke verschuiving in Zuid-Korea in 2018, toen Jehovah’s Getuigen juridische erkenning kregen voor gewetensbezwaren tegen militaire dienst. Voor hem toont dat voorbeeld dat ook gevestigde juridische interpretaties kunnen veranderen wanneer grondrechten opnieuw tegen staatsbelangen worden afgewogen. Hij riep daarom op tot duidelijkheid rond religieuze vrijheid en politieke participatie. Zijn afsluitende boodschap was emotioneel: een grondwet en een regering zijn er volgens hem niet om burgers tot tranen te brengen, maar om een samenleving te creëren waarin fundamentele rechten daadwerkelijk functioneren.
Massimo Introvigne waarschuwt voor drie stappen die verkeerd kunnen aflopen
Daarna kwam Massimo Introvigne aan het woord, Italiaans socioloog van religie, auteur en jurist. Hij heeft tientallen boeken en vele academische artikelen over nieuwe religieuze bewegingen gepubliceerd en was eerder betrokken bij de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa. Introvigne bracht het zogenoemde Rome Model naar voren. Dat model beschrijft volgens hem drie opeenvolgende fasen waarmee religieuze minderheden onder druk kunnen komen: eerst maatschappelijke intolerantie, vervolgens discriminatie door instellingen en uiteindelijk vervolging of geweld. Hij stelde uitdrukkelijk dat dit niet alleen in autoritaire staten gebeurt. Ook democratieën kunnen volgens hem in die richting bewegen. Hij verwees naar geweld tegen Jehovah’s Getuigen in West-Europa en naar gevallen waarin vijandigheid uiteindelijk tot fysieke aanvallen en pogingen tot doodslag leidde.
‘Ketter’, ‘sekte’ en ‘valse profeet’ zijn volgens Introvigne geen onschuldige woorden
Introvigne wees op de manier waarop bepaalde Zuid-Koreaanse religieuze minderheden in media worden omschreven. Hij noemde Shincheonji, de Family Federation, Jehovah’s Getuigen en andere bewegingen. Volgens hem worden daarbij geregeld termen gebruikt als ketter, sekte en valse profeet. De informatie zou volgens Introvigne vaak afkomstig zijn van religieuze concurrenten en voormalige leden die actief campagne voeren tegen de organisatie die ze hebben verlaten. Hij legde uit dat het begrip apostaat in sociologisch onderzoek geen belediging is, maar wordt gebruikt voor de beperkte groep voormalige leden die hun vroegere beweging actief bestrijdt. Niet ieder voormalig lid valt volgens hem onder die categorie. Zijn oproep aan journalisten was daarom om verschillende soorten bronnen te raadplegen en tegenstanders niet automatisch als de enige betrouwbare informanten te behandelen.
Van slechte reputatie naar juridische uitsluiting
Volgens Introvigne kan vijandige beeldvorming leiden tot institutionele discriminatie. Hij uitte daarbij ernstige bezorgdheid over een Zuid-Koreaans wetsvoorstel dat volgens hem een snelle ontbinding van religieuze organisaties mogelijk kan maken. Hij omschreef het voorstel als draconisch en als een van de strengste regelingen in zijn soort. Daarnaast zag hij volgens zijn analyse selectieve toepassing van bestaande verkiezingsregels tegenover religieuze leiders. Hij noemde de inmiddels vrijgelaten Pastor Seong-yong Koh, Mother Han van de Family Federation en Lee Man-hee. Vooral de leeftijden van Mother Han en Lee Man-hee sprongen volgens hem in het oog: respectievelijk 83 en 95 jaar. Introvigne stelde dat hoogbejaarde verdachten in verschillende Europese rechtsstelsels bij niet-gewelddadige verdenkingen doorgaans buiten de gevangenis hun proces kunnen afwachten.
Gedwongen bekeringen, mishandeling en zelfs overlijden
Het derde stadium van zijn Rome Model is geweld. Introvigne verwees naar Zuid-Koreaanse gevallen rond gedwongen bekering waarbij mensen volgens hem zijn mishandeld en in bepaalde dossiers zelfs zijn overleden. Daarmee wilde hij aantonen dat vijandigheid tegenover religieuze minderheden niet uitsluitend een debat over woorden is. Wanneer een groep maatschappelijk wordt voorgesteld als gevaarlijk of minderwaardig, kunnen tegenstanders volgens hem gemakkelijker rechtvaardigen dat leden onder druk worden gezet om hun geloof te verlaten. Introvigne maakte tegelijk een belangrijk onderscheid: wanneer leden van een religieuze organisatie gewone strafbare feiten plegen, moeten die feiten volgens hem worden onderzocht en bestraft. Zijn bezwaar geldt tegen collectieve behandeling van een hele religieuze beweging alsof iedere gelovige verantwoordelijk is voor vermeend wangedrag van anderen.
Kernvraag rechtstreeks aan Introvigne
Toen de vragenronde begon, kreeg indegazette.be als eerste medium in de zaal het woord. Zijn vraag aan Massimo Introvigne ging rechtstreeks over het voorarrest: waarom dacht Introvigne dat de beslissing was genomen om Lee Man-hee vast te houden? Introvigne antwoordde dat Zuid-Korea een strenge wet kent tegen inmenging van geestelijken in verkiezingen en dat rechters en aanklagers bestaande wetgeving uiteraard moeten toepassen. Hij stelde tegelijk de vraag of zulke bepalingen volledig verenigbaar zijn met internationale normen rond vrijheid van religie en politieke participatie van gelovigen. Zijn belangrijkste bezwaar ging echter niet over het bestaan van het onderzoek. Hij vond het opmerkelijk dat voorarrest wordt gebruikt voor niet-bloedige, niet-gewelddadige verdenkingen bij personen van 95 of 83 jaar.
Huisarrest, communicatieverbod of gevangenis
Introvigne verwees naar Italië en stelde dat daar voor zeer oude verdachten alternatieven bestaan waarmee de belangen van justitie kunnen worden beschermd zonder iemand noodzakelijk in een gevangenis te plaatsen. Hij noemde huisarrest en beperkingen op communicatie als mogelijke instrumenten wanneer justitie vreest voor beïnvloeding van getuigen of bewijsmateriaal. De echte vraag is volgens hem daarom niet waarom Zuid-Korea onderzoek verricht, maar waarom een gevangeniscel noodzakelijk zou zijn wanneer minder ingrijpende maatregelen hetzelfde juridische doel kunnen bereiken.
Een vraag raakt verloren in de vertaling
De internationale aard van de bijeenkomst zorgde ook voor een bijzonder moment. Een vraag vanuit de zaal werd in het Koreaans gesteld maar bleek door de simultaanvertaling onvoldoende begrijpelijk voor het panel. De organisatoren vroegen daarom om een Engelse verduidelijking. Uiteindelijk werd de vraag gekoppeld aan ontmoetingen van Thierry Valle met leden van Shincheonji en aan hun reactie op de situatie. Valle antwoordde dat hij inderdaad gelovigen had gesproken, zoals hij tijdens mensenrechtenonderzoek ook leden van andere groepen ontmoet die zeggen te worden gediscrimineerd. Hij maakte daarbij een relevant onderscheid: het is volgens hem niet zijn taak iedere individuele getuigenis automatisch als waar of onwaar te verklaren, maar om dergelijke informatie naast internationale mensenrechtennormen te leggen. Zijn hoofdbezwaar bleef de proportionaliteit van het voorarrest. Márk Nemes vulde aan dat de bijeenkomst volgens hem niet uitsluitend over Shincheonji ging, maar over een bredere groep religieuze organisaties en over vrijheid van religie, levensovertuiging en meningsuiting.
Hoe gezond is Lee Man-hee werkelijk?
Een journalist uit Maleisië stelde daarna misschien de eenvoudigste maar menselijk meest directe vraag van de ochtend: hoe gaat het lichamelijk met Lee Man-hee na ruim een maand detentie? Hans Noot antwoordde dat een delegatie Lee Man-hee de dag voordien in de gevangenis had bezocht. Hij wees er voorzichtig op dat hij geen arts is en geen toegang tot medische dossiers had. Wat hij persoonlijk had gezien was een hoogbejaarde man die zelfstandig liep, vrijuit sprak en volgens hem energiek overkwam. Noot gebruikte zelfs de uitdrukking dat Lee Man-hee nog veel vuur vertoonde, waarmee hij enthousiasme bedoelde. Hij had verhalen gehoord dat Lee Man-hee elders in een rolstoel was vervoerd, maar zei duidelijk dat hij dat tijdens zijn eigen bezoek niet had waargenomen. Daarmee leverde hij een genuanceerder beeld dan de voorstelling van een man die tijdens ieder moment lichamelijk volledig afhankelijk zou zijn. Tegelijk bleef de vraag overeind hoe belastend detentie op die leeftijd kan zijn en welke medische opvolging aanwezig is.
‘Europa zwijgt’
Daarna kwam vanuit de zaal een vraag uit Brussel. Een deelnemer die verwees naar contacten rond het Europees Parlement wilde weten welke boodschap het panel had voor Europese parlementsleden en Europese burgers. Zijn formulering was duidelijk: zaken doen met Zuid-Korea is belangrijk, maar mensenrechten moeten volgens hem eveneens een prioriteit zijn. Thierry Valle antwoordde ongewoon fel. Hij vond het ongelooflijk hoe stil Europa volgens hem blijft over deze kwestie. Pogingen om aandacht van Europese regeringen of verantwoordelijken te krijgen zouden volgens hem nauwelijks resultaat hebben opgeleverd.
Een etiket kan voldoende zijn om niemand nog te laten luisteren
Michael Langhans sloot zich bij die kritiek aan. Volgens hem bestaat in Europa nog altijd een sterke neiging om weinig belangstelling te tonen zodra een religieuze beweging als sekte wordt bestempeld. Dan is het beeld volgens hem vaak al gevormd voordat de feiten afzonderlijk worden onderzocht. Hij vond dat Europese instellingen eerst verschillende soorten informatie moeten bekijken, waaronder verklaringen van leden, voormalige leden, academici, overheden en andere betrokkenen. Pas daarna kan volgens hem een verantwoord oordeel worden gevormd. Hij riep op tot een duidelijke Europese reactie wanneer fundamentele rechten daadwerkelijk onder druk komen.
Waarom kijkt Washington volgens het panel wel?
Introvigne zette daar de Verenigde Staten tegenover. Volgens hem is er in Washington aanzienlijk grotere aandacht voor religievrijheid in Zuid-Korea. Hij verwees naar kritiek vanuit Amerikaanse kringen op gedwongen bekering, de behandeling van Shincheonji tijdens Covid-19, bezorgdheid over nieuwe wetgeving en een factfindingbezoek vanuit het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken. Ook Donald Trump werd aangehaald in verband met eerdere kritiek op invallen bij kerken. Introvigne vond die grotere Amerikaanse belangstelling opmerkelijk omdat Zuid-Korea een belangrijke regionale bondgenoot van de Verenigde Staten is. Juist nauwe bondgenoten moeten volgens die redenering ook over mensenrechten kunnen spreken.
Europese Commissie en diplomatieke dienst worden aangesproken
Thierry Valle wees vervolgens naar Europese instrumenten die volgens hem veel actiever zouden kunnen worden ingezet. Hij verwees naar een speciaal Europees gezantschap voor vrijheid van religie en levensovertuiging en naar de Europese diplomatieke dienst, die regelmatig contacten onderhoudt met de Zuid-Koreaanse autoriteiten. Volgens Valle mogen handelsrelaties en politieke samenwerking er niet toe leiden dat mensenrechten uit bilaterale contacten verdwijnen. De detentie van Lee Man-hee en het bredere debat over religieuze vrijheid zouden volgens hem bij toekomstige contacten met Seoul op tafel moeten liggen.
Van Seoul tot Burundi: kan een beleid worden geëxporteerd?
Een online vraag van Journal Africa uit Burundi verplaatste het gesprek naar een ander continent. De vraag was of de Zuid-Koreaanse aanpak gevolgen kan hebben voor de manier waarop andere democratieën omgaan met omstreden religieuze organisaties. Introvigne antwoordde dat regelgeving en maatschappelijke beelden inderdaad grenzen kunnen overschrijden. Hij wees op invloed vanuit Frankrijk, Japan en Zuid-Korea op discussies in Afrikaanse landen. Tegelijk waarschuwde hij dat de situatie in Burundi en Rwanda een eigen historische achtergrond heeft. Hij verwees naar de genocide tegen de Tutsi’s in Rwanda in 1994 en naar de omstreden rol die sommige christelijke instellingen en geestelijken daarbij hebben gespeeld. Zulke historische ervaringen kunnen wantrouwen tegenover religieuze macht versterken. Dat neemt volgens Introvigne niet weg dat beleid tegen religieuze minderheden uit andere landen kan worden gekopieerd zonder voldoende rekening te houden met de eigen context.
Koreaanse beeldvorming reist de wereld rond
Voor Introvigne is vooral de internationale verspreiding van mediaberichten een probleem. Religieuze bewegingen zoals Shincheonji, de Family Federation en andere in Zuid-Korea ontstane kerken hebben leden in tal van landen. Buitenlandse journalisten zouden volgens hem geregeld Zuid-Koreaanse berichtgeving overnemen zonder de oorspronkelijke dossiers zelfstandig te onderzoeken. Daardoor kan een conflict in Seoul directe gevolgen krijgen voor een gelovige in Europa, Australië, Argentinië of Afrika die niets met het oorspronkelijke dossier te maken heeft. Márk Nemes verwees in dit verband naar onderzoek in Australië, Argentinië en Europa naar de invloed van negatieve beeldvorming op de dagelijkse religieuze praktijk van Shincheonji-leden. Volgens hem zijn vergelijkbare patronen vastgesteld waarbij sociale stigmatisering in Zuid-Korea ook buiten het land gevolgen heeft.
Het etiket ‘Covidkerk’ blijft volgens onderzoekers kleven
Nemes noemde één concreet voorbeeld: Shincheonji wordt volgens hem in mediaberichtgeving nog altijd geregeld aangeduid als de Covidkerk. Hij bestreed dat label en stelde dat rechtbanken eerdere zware beschuldigingen rond de Covidperiode niet hebben bevestigd. Vanuit zijn perspectief wordt een oud maatschappelijk frame daardoor eindeloos herhaald, ook wanneer de juridische werkelijkheid veel genuanceerder is geworden. Dat illustreert volgens hem hoe een eenmaal gevestigd etiket een religieuze organisatie jarenlang kan blijven achtervolgen.
Dan komt China ter sprake
Introvigne voegde vervolgens een geopolitiek element toe dat tot dan toe nauwelijks was besproken. Volgens hem speelt de Volksrepubliek China een rol bij de internationale verspreiding van negatieve informatie over bepaalde religieuze minderheden. Hij stelde dat China vervolging in eigen land wil rechtvaardigen en daarom vijandige campagnes tegen religieuze organisaties buiten China zou ondersteunen. Hij noemde met name de Family Federation, die historisch sterk anticommunistisch is, maar ook Shincheonji en Jehovah’s Getuigen. Introvigne wees op deelname van Chinese anti-sekte-experts, waaronder volgens hem ook personen uit politiekringen, aan bijeenkomsten in Zuid-Korea en andere delen van Oost-Azië. Dat is een ernstige geopolitieke beschuldiging en werd tijdens de bijeenkomst als analyse van Introvigne naar voren gebracht.
Maar Introvigne noemt Zuid-Korea uitdrukkelijk een democratie
Opvallend genoeg kwam een van de sterkste nuanceringen uit dezelfde mond. Op de vraag wat andere landen van Zuid-Korea kunnen leren, zei Introvigne uitdrukkelijk dat Zuid-Korea een democratie is en dat Zuid-Koreaanse rechtbanken in het verleden uitspraken hebben gedaan ten gunste van impopulaire religieuze minderheden. Hij verwees naar de Covidzaken rond Shincheonji en Lee Man-hee en stelde dat de rechterlijke macht zich daar uiteindelijk onafhankelijk had opgesteld. Zijn oproep was niet om de Zuid-Koreaanse rechtsstaat af te schrijven, maar juist om die onafhankelijkheid te beschermen. Hij uitte wel bezorgdheid over iedere poging van regering, presidentschap of andere machtscentra om de rechterlijke macht onder druk te zetten, onder andere wanneer bijzondere aanklagers in politiek gevoelige dossiers worden ingezet.
Religieuze intolerantie is volgens hem geen probleem van dictaturen alleen
Introvigne gebruikte Zuid-Korea vervolgens als waarschuwing tegen een veel bredere denkfout. Religieuze intolerantie bestaat volgens hem niet uitsluitend in China, Rusland of Iran. Ook democratische staten kunnen minderheden oneerlijk behandelen. Het feit dat een democratisch verkozen regering een verklaring over een religieuze beweging aflegt, maakt die verklaring volgens hem niet automatisch correct. Journalisten moeten ook officiële communicatie controleren, in context plaatsen en toetsen aan rechterlijke uitspraken en andere gegevens. Die redenering raakt aan een fundamentele journalistieke regel: democratische legitimiteit ontslaat een regering niet van bewijslast, net zoals religieuze vervolging geen vrijstelling van onderzoek naar mogelijk strafbaar gedrag geeft.
Wat gebeurt er nu?
Een jonge journalist van Tongil News wilde vervolgens vooral weten wat de volgende stap zou zijn. De organisatie hield het antwoord aanvankelijk kort. Die volgende stap zou enkele minuten later zichtbaar worden. Eerst kwam echter nog een vraag die het debat opnieuw internationaal trok.
The Washington Times brengt Japan de zaal binnen
James Andrew Sun van The Washington Times vroeg waarom er zo weinig internationale tegenreactie was op de ontbinding van de Family Federation in Japan en op de Zuid-Koreaanse wetgeving waarover op dat moment werd gedebatteerd. Hij verwees ook naar de historische invloed van het Japanse rechtsstelsel op Korea tijdens de koloniale periode. Volgens hem dreigde Zuid-Korea een vergelijkbare weg in te slaan. De moderator vond de vraag bijzonder relevant en riep journalisten op het Japanse dossier grondig te bestuderen. Zijn zorg was dat juridische modellen van het ene land naar het andere kunnen overslaan.
VN-kritiek bestaat volgens Introvigne wel, maar krijgt te weinig aandacht
Introvigne corrigeerde tegelijk het idee dat internationale instellingen volledig zouden zwijgen. Hij stelde dat vier speciale rapporteurs van de Verenigde Naties zich kritisch hadden uitgesproken over de ontbinding van de Unification Church in Japan. Volgens hem ligt het probleem daarom niet uitsluitend bij internationale instellingen die wel of niet reageren. Een tweede probleem ontstaat wanneer media zulke internationale verklaringen nauwelijks publiceren. Voor Introvigne is er dus een dubbele opdracht: internationale instellingen moeten reageren wanneer grondrechten in gevaar kunnen komen, maar journalisten moeten die reacties vervolgens ook zichtbaar maken.
Een boeddhistische vertegenwoordiger en een oorlogsveteraan krijgen het woord
Aan het einde van het inhoudelijke gedeelte werden twee Zuid-Koreaanse gasten naar voren geroepen. Een van hen werd voorgesteld als Myogyeong Son, een leidinggevende binnen de Jogye Order of Korean Buddhism, die ongeveer tien jaar had deelgenomen aan interreligieuze dialoogactiviteiten van HWPL. Daarna kwam een vertegenwoordiger van Zuid-Koreaanse oorlogsveteranen naar voren. Hij werd voorgesteld als Ryu Jae-sik, hoofd van een vereniging van veteranen in Seoul, voormalig kindsoldaat tijdens de Koreaanse Oorlog en later kolonel. In zijn Koreaanse bijdrage gaf hij een uitgesproken persoonlijke getuigenis over Shincheonji en Lee Man-hee.
‘Niemand kwam naar ons, Shincheonji wel’
De veteranenvertegenwoordiger vertelde dat veteranen van de Koreaanse Oorlog volgens hem jarenlang weinig aandacht kregen van talrijke kerken, terwijl Shincheonji hen jaarlijks zonder voorwaarden zou hebben ondersteund. Hij sprak over maaltijden, zorg en praktische solidariteit voor oude veteranen. Zijn punt was niet dat zulke activiteiten Lee Man-hee juridisch onschuldig maken. Hij zei zelf dat hij niet voor iemand stond om fouten zonder onderzoek toe te dekken. Hij wilde vragen of fundamentele rechten en godsdienstvrijheid voor iedere Zuid-Koreaan op dezelfde manier worden gerespecteerd. Volgens hem mag een religieuze identiteit geen aanleiding vormen om de juridische maatstaf zwaarder toe te passen.
Een 95-jarige oorlogsveteraan achter de muren
Daarna werd zijn boodschap persoonlijk. Lee Man-hee is volgens de veteranenvertegenwoordiger niet alleen religieus leider maar ook veteraan van de Koreaanse Oorlog. Hij vroeg waarom iemand van die leeftijd in een gevangenis moet blijven wanneer er volgens hem nauwelijks gevaar bestaat dat hij vlucht of bewijsmateriaal vernietigt. Op 95-jarige leeftijd is zelfstandig voor de eigen gezondheid zorgen al moeilijk, zo stelde hij. De detentie vormde volgens hem daarom niet alleen een vrijheidsbeperking maar mogelijk ook een bedreiging voor de gezondheid en waardigheid van een hoogbejaarde man. Hij vroeg internationale gasten en mensenrechtenorganisaties vooroordelen tegenover Shincheonji los te laten en zich in te zetten voor een proces waarbij Lee Man-hee buiten de gevangenis zijn zaak kan afwachten. Zijn bijdrage eindigde met een traditionele Koreaanse verwijzing naar dankbaarheid en het terugbetalen van ontvangen hulp.
Journalisten krijgen een ongebruikelijk directe opdracht
Na die getuigenis keerde de moderator terug naar de vraag: wat gebeurt er nu? Zijn eerste antwoord was opmerkelijk rechtstreeks naar de aanwezige pers gericht. Journalisten hebben volgens hem een stem en dragen mede verantwoordelijkheid voor de bescherming van religieuze vrijheid. Hij riep hen op te schrijven over vrijheid van religie en meningsuiting en over de gevolgen wanneer zulke rechten onvoldoende worden beschermd. Dat is vanzelfsprekend een oproep van de organisatoren en geen journalistieke instructie die media moeten volgen. Het maakte wel duidelijk dat de bijeenkomst niet alleen bedoeld was om informatie aan te bieden, maar ook om internationale aandacht voor de zaak te mobiliseren.
Dan verschijnen de handtekeningen
De tweede stap gebeurde zichtbaar op het podium. De Europese onderzoekers en mensenrechtenvertegenwoordigers namen een gezamenlijke verklaring ter hand en ondertekenden die voor de aanwezige camera’s. De bedoeling was om het document diezelfde middag persoonlijk naar de National Human Rights Commission of Korea te brengen. De verklaring vroeg Zuid-Korea om internationale mensenrechtennormen toe te passen en Lee Man-hee uit voorarrest vrij te laten. De deelnemers verwezen daarbij onder andere naar internationale standaarden voor de behandeling van gevangenen en naar de hoge leeftijd van de verdachte.
Drie deelnemers hadden Lee Man-hee een dag eerder bezocht
In de gezamenlijke verklaring stond dat Europese academici en mensenrechtenvertegenwoordigers op donderdag 6 augustus 2026 Lee Man-hee en andere betrokkenen hadden ontmoet. Drie leden van de delegatie kregen volgens de verklaring toegang tot Lee Man-hee op zijn detentieplaats. De ondertekenaars wezen erop dat verschillende deelnemers Shincheonji al jarenlang academisch bestuderen. Eén van hen had Lee Man-hee herhaaldelijk geïnterviewd en uitvoerig over de beweging gepubliceerd. Andere deelnemers hadden onderzoek gedaan naar de internationale verspreiding van Shincheonji. Daarmee wilden ze aantonen dat hun beoordeling niet uitsluitend gebaseerd was op één bezoek of op materiaal dat tijdens de huidige controverse was verzameld.
Respect voor Zuid-Korea, maar fundamentele kritiek op het klimaat rond de zaak
De ondertekenaars verklaarden respect te hebben voor de democratische instellingen van Zuid-Korea en niet te willen ingrijpen in de werking van het Zuid-Koreaanse gerecht. Tegelijk vonden zij dat de zaak tegen Lee Man-hee plaatsvindt in een maatschappelijk klimaat waarin Shincheonji geregeld als sekte wordt omschreven en waarin verhalen van religieuze tegenstanders volgens hen grote invloed hebben op de publieke beeldvorming. Zij vinden dat academisch onderzoek naar de beweging daardoor onvoldoende aandacht krijgt. Ook de Zuid-Koreaanse regelgeving rond politieke participatie door religieuze leiders werd door hen als uitzonderlijk restrictief omschreven en mogelijk moeilijk te verzoenen met internationale normen die ook gelovigen politieke participatie garanderen.
Amerika beweegt volgens hen precies de andere kant op
De ondertekenaars wezen erop dat religie en politiek in andere democratische landen veel nauwer met elkaar kunnen zijn verweven. Politieke partijen kunnen religieus geïnspireerd zijn en geestelijken nemen in verschillende landen deel aan maatschappelijk debat. De Verenigde Staten werden opnieuw genoemd als een land waar regels die beperkingen opleggen aan politieke steunbetuigingen door geestelijken ter discussie staan. Dat betekent niet dat de Amerikaanse aanpak automatisch beter is. De vergelijking werd gebruikt om te tonen hoe uitzonderlijk ver uiteen democratieën kunnen liggen in hun interpretatie van de scheiding tussen religie en staat.
Hun eis: proces ja, gevangenis nee
De slotboodschap van de verklaring was bijzonder duidelijk. De ondertekenaars vroegen niet om beëindiging van de strafzaak. Ze vroegen evenmin dat een buitenlandse organisatie zou beslissen over de schuld of onschuld van Lee Man-hee. Hun verzoek ging uitsluitend over zijn detentie. Een 95-jarige man die niet van gewelddadige of bloedige feiten wordt beschuldigd, zou volgens hen zijn proces buiten een gevangenis moeten kunnen afwachten. Zij wezen op mogelijkheden zoals huisarrest en op internationale standaarden inzake de humane behandeling van gedetineerden. Voor humanitaire redenen en vanuit bescherming van oudere verdachten vroegen zij zijn onmiddellijke vrijlating uit voorarrest, terwijl de juridische procedure zelf kan doorgaan.
De echte strijd gaat over de vraag wie als normale burger wordt beschouwd
Onder al die juridische argumenten, internationale verwijzingen en politieke beschuldigingen ligt uiteindelijk een fundamentelere kwestie. Religieuze vrijheid wordt zelden getest wanneer het gaat om een populaire religie die niemand stoort. Ze wordt getest wanneer een beweging controversieel is, wanneer voormalige leden zware kritiek uiten, wanneer concurrerende religieuze groepen haar afwijzen, wanneer politici haar wantrouwen en wanneer media al jarenlang een bepaald beeld hebben opgebouwd. Shincheonji bevindt zich precies in die positie. Dat betekent niet dat beschuldigingen tegen leiders van de organisatie niet mogen worden onderzocht. Het betekent evenmin dat iedere kritiek automatisch discriminatie is. Het betekent dat de staat juist dan moet aantonen dat strafrechtelijke en administratieve bevoegdheden worden toegepast op concrete gedragingen en niet op de maatschappelijke reputatie van een geloof.
Een dossier dat Zuid-Korea niet eenvoudig kan wegzetten als buitenlands commentaar
De buitenlandse deelnemers waren opvallend voorzichtig op één punt: zij noemden Zuid-Korea zelf een democratie. Introvigne prees zelfs eerdere onafhankelijke beslissingen van de rechterlijke macht. Juist daardoor krijgt hun kritiek een andere betekenis. Zij zeggen niet dat Zuid-Korea geen rechtsstaat is. Zij vragen of die rechtsstaat in dit dossier dezelfde bescherming kan bieden aan een impopulaire religieuze minderheid als aan iedere andere burger. Kan een minister streng spreken over vermeende politieke misdrijven zonder zelf een theologisch oordeel uit te spreken? Kan een religieuze organisatie worden onderzocht zonder alle gelovigen collectief verdacht te maken? Kan een 95-jarige verdachte worden vervolgd zonder dat een gevangenis de enige optie is? Kan politieke beïnvloeding worden aangepakt zonder iedere politieke uiting vanuit religieuze kring verdacht te maken? En kan een democratie een toekomstige ontbindingsregeling zo precies formuleren dat alleen aantoonbaar illegaal gedrag wordt geraakt?
Van Seoul naar Brussel, Washington, Tokio, Burundi en Beijing
Wat in Seoul begon als een discussie over één gedetineerde religieuze leider eindigde daardoor als een internationaal debat. Europa werd verweten te zwijgen. Washington werd aangehaald als actiever voorbeeld. Japan werd voorgesteld als waarschuwing voor de juridische ontbinding van religieuze rechtspersonen. Afrika kwam in beeld als continent waar buitenlandse reguleringsmodellen kunnen worden overgenomen. China werd door Introvigne beschuldigd van het versterken van internationale campagnes tegen bepaalde religieuze bewegingen. Journalisten kregen kritiek omdat labels uit het ene land volgens onderzoekers in andere landen worden gekopieerd. En midden tussen al die geopolitieke vragen bleef één man centraal staan: Lee Man-hee, een hoogbejaarde religieuze leider die zijn proces in detentie afwacht.
Het oordeel ligt niet in de vergaderzaal
De buitenlandse delegatie kan Lee Man-hee niet vrijlaten. Journalisten kunnen niet beslissen of hij schuldig is. Een veteranenvertegenwoordiger kan met een emotionele getuigenis geen strafdossier wegwissen. Een minister kan evenmin bepalen dat iemand schuldig is voordat de rechter dat heeft vastgesteld. Precies daar ligt de kern van de zaak. De beschuldigingen tegen Lee Man-hee moeten juridisch worden onderzocht. Wanneer strafbare politieke inmenging bewezen wordt, behoort daarop een juridische reactie te volgen. Maar totdat een rechter beslist, blijft Lee Man-hee een verdachte met rechten. Zijn leeftijd verdwijnt niet wanneer de beschuldigingen zwaar zijn. Zijn religieuze positie mag hem geen bescherming tegen strafonderzoek geven, maar mag evenmin een reden zijn om hem minder bescherming toe te kennen.
Bronnen:
Human Rights Without Frontiers, internationale persconferentie over vrijheid van religie en meningsuiting in de Republiek Korea, Seoul, 7 augustus 2026
Human Rights Without Frontiers, vragenronde met internationale journalisten en mensenrechtenexperts, Seoul, 7 augustus 2026
Human Rights Without Frontiers, gezamenlijke internationale verklaring en bezoek aan de National Human Rights Commission of Korea, Seoul, 7 augustus 2026
CAP Liberté de Conscience
Forum for Religious Freedom Europe
National Human Rights Commission of Korea
Andy Vermaut +32499357495 (Als je een probleem hebt met de inhoud van een artikel, kan je me altijd mailen op info@indegazette.be – best zo weinig mogelijk mensen in cc zetten, want anders komt dit in de spamfilter terecht. Voor elk artikel geldt een recht op antwoord van betrokkenen tot 3 maanden na publicatie van het artikel. AI wordt gebruikt als redactioneel hulpmiddel. De journalist controleerde de inhoud en feiten.)


