Tien artikelen tegen oorlog: DPCW zoekt vanuit Seoul ook steun in België voor een weg naar de VN

9 augustus 2026

Auteur: Andy Vermaut

Op zaterdag 8 augustus 2026 zat indegazette.be in Seoul mee aan tafel tijdens een uitvoerige bijeenkomst over de Declaration of Peace and Cessation of War, de DPCW. Jane Bae van het International Law Department van Heavenly Culture, World Peace, Restoration of Light, kortweg HWPL, gaf er uitleg over de juridische vredesstrategie van de organisatie. Ook Lotfi Amine Hachemi en andere betrokkenen namen aan het gesprek deel. De bijeenkomst ging niet alleen over de wens om oorlogen te stoppen. Er werd gesproken over internationaal recht, ontwapening, vreedzame geschillenbeslechting, godsdienstvrijheid, religieuze en etnische spanningen, vredeseducatie, de rol van burgers en de politieke weg die nodig zou zijn om de DPCW ooit op het niveau van de Verenigde Naties te brengen. België kwam daarbij rechtstreeks ter sprake. Brussel huisvest belangrijke Europese instellingen en vanuit België werd het onderwerp eerder al bij het Europees Parlement aangekaart. Voor indegazette.be lag daarom een centrale vraag op tafel: hoe geraakt een vredesvoorstel uit Seoul voorbij goede bedoelingen en terecht in een politiek en juridisch traject waarbij staten zelf verantwoordelijkheid opnemen?

Een vredesverklaring die tien jaar geleden in Seoul werd afgekondigd

De DPCW werd op 14 maart 2016 in Seoul afgekondigd. De verklaring bestaat uit een preambule, tien artikelen en 38 bepalingen. HWPL omschrijft de tekst als een voorstel voor internationale normen rond het voorkomen van oorlog, vreedzame oplossing van geschillen, samenwerking tussen staten, godsdienstvrijheid en een cultuur van vrede. De organisatie stelt daarbij uitdrukkelijk dat de DPCW het bestaande internationale rechtsstelsel niet moet vervangen. De bedoeling is volgens HWPL om bestaande uitgangspunten uit onder meer het VN-Handvest verder uit te werken en sterker toepasbaar te maken. Dat onderscheid is van belang. De DPCW is vandaag geen verdrag tussen staten en evenmin een door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties aangenomen resolutie. Het is een vredesverklaring van HWPL waarvoor de organisatie internationale politieke steun probeert op te bouwen.

De cijfers over de juristen moeten correct uit elkaar worden gehouden

Tijdens de bijeenkomst in Seoul werd gesproken over negentien deskundigen uit vijftien landen. De actuele officiële informatie van HWPL vraagt daar enige precisie bij. In de huidige FAQ van HWPL staat dat het ontwerp na besprekingen in 2015 tot stand kwam binnen een International Law Peace Committee van 21 deskundigen uit 17 landen. De huidige algemene organisatiepagina van HWPL vermeldt daarentegen negentien leden bij de International Law Peace Committee. Dat zijn dus cijfers die betrekking hebben op verschillende momenten en niet als één en hetzelfde gegeven mogen worden voorgesteld. Voor een correcte berichtgeving is het daarom beter te spreken over een internationale groep rechtsdeskundigen die aan het ontwerp werkte, terwijl de huidige commissie volgens HWPL negentien leden telt.

De kern begint bij het voorkomen van geweld

De eerste artikelen van de DPCW richten zich op een oud probleem van het internationale recht: regels kunnen oorlog verbieden, maar daarmee verdwijnt oorlog niet. Artikel 1 richt zich tegen dreiging met of gebruik van militaire macht. Artikel 2 gaat over ontwapening en het terugdringen van omstandigheden die oorlog mogelijk maken. Artikel 3 schuift staten naar voren als actieve dragers van samenwerking en vreedzame betrekkingen. Artikel 4 gaat over de grenzen en territoriale integriteit van staten. Artikel 5 behandelt zelfbeschikking. Deze onderwerpen bestaan al in het bestaande internationale recht, maar HWPL brengt ze samen binnen één raamwerk dat nadrukkelijk is opgebouwd rond het voorkomen van oorlog voordat geweld uit de hand loopt.

Ontwapening klinkt eenvoudig tot staten naar hun eigen veiligheid kijken

Artikel 2 is meteen een van de politiek lastigste onderdelen. Een pleidooi voor minder wapens klinkt logisch wanneer het uitgangspunt vrede is, maar staten bekijken hun militaire middelen ook als bescherming tegen mogelijke aanvallers. Ontwapening vraagt daarom vertrouwen, wederkerigheid, controle en zekerheid over wat andere landen doen. Wanneer één land wapens afbouwt en een ander land tegelijk zijn militaire capaciteit vergroot, ontstaat een veiligheidsprobleem. De uitdaging voor elke vredesregeling ligt dan ook niet alleen in de vraag welke norm wenselijk is, maar in de vraag hoe naleving kan worden gecontroleerd en hoe staten ervan overtuigd kunnen worden dat samenwerking veiliger is dan een nieuwe bewapeningswedloop. De DPCW spreekt over het geleidelijk vernietigen en herbestemmen van massavernietigingswapens en productiecapaciteit voor doeleinden die mensen ten goede komen.

Grenzen en zelfbeschikking raken aan de moeilijkste conflicten ter wereld

De artikelen 4 en 5 brengen twee beginselen samen die in de internationale politiek geregeld tegenover elkaar komen te staan: de territoriale integriteit van staten en het recht op zelfbeschikking. Het eerste beschermt bestaande staatsgrenzen tegen agressie. Het tweede erkent dat bevolkingen rechten hebben met betrekking tot hun politieke toekomst. In concrete conflicten kunnen die uitgangspunten botsen. Wat gebeurt er wanneer een bevolkingsgroep onafhankelijkheid wil, terwijl een staat elke afscheiding afwijst? Wanneer is sprake van legitieme zelfbeschikking en wanneer van buitenlandse inmenging? De DPCW probeert daar richting aan te geven via samenwerking en dialoog, maar ook hier geldt dat algemene principes pas werkelijk worden getest wanneer staten het oneens zijn over de feiten, het grondgebied en de rechten van de betrokken bevolking. (HWPL)

Als preventie faalt, moet het conflict vreedzaam worden behandeld

Artikel 6 behandelt de vreedzame oplossing van internationale geschillen. Daar komt een tweede fase van de vredesstrategie in beeld. Als een conflict niet kon worden voorkomen, moet volgens de DPCW eerst worden gezocht naar juridische en diplomatieke middelen. Onderhandelingen, bemiddeling, arbitrage en gerechtelijke procedures horen bij dat gedachtegoed. Tijdens de bijeenkomst in Seoul werd ook naar bestaande internationale instellingen verwezen, waaronder het Internationaal Gerechtshof. Jane Bae beschreef de benadering als een reeks tandwielen: conflictpreventie, vreedzame oplossing en vervolgens het behouden van vrede op langere termijn. De onderdelen moeten elkaar aandrijven in plaats van los naast elkaar te bestaan.

Zelfverdediging verdwijnt niet uit de DPCW

Artikel 7 erkent dat een staat zich bij een gewapende aanval mag verdedigen. Daarmee sluit de verklaring aan bij een principe dat ook in artikel 51 van het VN-Handvest staat. De DPCW legt daarbij de nadruk op beperkingen en rapportering aan de VN-Veiligheidsraad. Dat is juridisch belangrijk, omdat het begrip zelfverdediging in oorlogssituaties geregeld onderwerp van discussie is. Staten beroepen zich op veiligheid, terwijl andere staten de omvang of rechtmatigheid van militair optreden betwisten. Een vredesinstrument dat zelfverdediging eenvoudigweg zou negeren, zou moeilijk aansluiting vinden bij de bestaande internationale rechtsorde. De DPCW kiest er daarom voor het recht te erkennen maar tegelijk grenzen aan het gebruik ervan te stellen.

Godsdienstvrijheid krijgt opvallend veel gewicht

Artikel 8 richt zich op godsdienstvrijheid. De tekst koppelt de vrijheid om een religie of overtuiging te hebben, te veranderen of te verlaten aan de verantwoordelijkheid van staten om geweld in naam van religie tegen te gaan. Dat is een gevoelig terrein. Een overheid moet burgers beschermen tegen religieus gemotiveerd geweld, maar mag dat niet gebruiken als reden om vreedzame geloofsbeleving te beperken. HWPL ziet interreligieuze gesprekken daarom als onderdeel van zijn bredere vredesstrategie. Tijdens de bijeenkomst in Seoul werd toegelicht dat vertegenwoordigers van verschillende religieuze achtergronden in verschillende landen samenkomen om over overtuigingen, geschriften en vreedzaam samenleven te spreken. De juridische norm en het gesprek tussen burgers worden zo naast elkaar geplaatst.

Artikel 9 kijkt naar religieuze en etnische spanningen voordat zij geweld worden

Artikel 9 gaat een stap verder en richt zich op spanningen tussen religieuze en etnische groepen. Staten zouden wederzijds begrip moeten bevorderen, oorzaken van spanningen moeten onderzoeken en optreden wanneer religieuze of etnische identiteit wordt gebruikt als rechtvaardiging voor geweld. Dat uitgangspunt maakt duidelijk dat het vredesbegrip van de DPCW niet beperkt blijft tot klassieke oorlogen tussen twee landen. Ook geweld binnen staten, haatcampagnes en conflicten tussen bevolkingsgroepen kunnen de vrede aantasten. De tekst vraagt daarom aandacht voor preventie voordat haat uitmondt in geweld.

Artikel 10 maakt vrede ook tot een opdracht buiten regeringsgebouwen

Artikel 10 gaat over het verspreiden van een cultuur van vrede. Onderwijs, burgers, maatschappelijke organisaties en publieke instellingen krijgen daarbij een eigen rol. Volgens HWPL is een juridische tekst onvoldoende wanneer mensen in hun dagelijkse leven blijven denken in termen van vijandschap, uitsluiting en geweld. Vredeseducatie moet jongeren daarom leren omgaan met verschillen en conflicten zonder dat geweld als normale uitweg wordt gezien. Dat thema staat niet los van het bestaande VN-werk. De Algemene Vergadering nam in 1999 de Declaration and Programme of Action on a Culture of Peace aan. De DPCW plaatst een vergelijkbaar uitgangspunt binnen zijn eigen tien artikelen.

Een belangrijke correctie over de VN-Mensenrechtenraad

Tijdens de toelichting in Seoul werd verwezen naar een beslissing van de VN-Mensenrechtenraad in 2024 en werd een verband gelegd met artikel 10 van de DPCW. Dat moet nauwkeurig worden geformuleerd. De Mensenrechtenraad nam op 4 april 2024 tijdens zijn 55ste zitting resolutie A/HRC/RES/55/17 over “Human rights and a culture of peace” aan zonder stemming. Die resolutie behandelt een onderwerp dat inhoudelijk sterk aansluit bij het idee achter artikel 10. Dat betekent echter niet dat de VN-Mensenrechtenraad artikel 10 van de DPCW formeel heeft aangenomen. Het gaat om een afzonderlijke VN-resolutie over mensenrechten en een cultuur van vrede. Dat verschil is juridisch essentieel en wordt in deze berichtgeving daarom uitdrukkelijk bewaakt.

De vraag die boven de hele DPCW hangt: wat voegt zij toe aan wat al bestaat?

Een serieus debat over de DPCW kan niet stoppen bij de vaststelling dat vrede wenselijk is. Het VN-Handvest bestaat al sinds 1945. Het verbiedt dreiging met of gebruik van geweld tegen andere staten, verplicht landen internationale geschillen vreedzaam te behandelen en erkent onder voorwaarden zelfverdediging. Daarnaast bestaan verdragen over mensenrechten, godsdienstvrijheid, oorlogvoering en internationale misdrijven. De DPCW moet daarom aantonen waar haar toegevoegde waarde ligt. HWPL antwoordt daarop dat de verklaring bestaande principes samenbrengt, extra aandacht geeft aan preventie en burgers, religie en vredeseducatie een zichtbare rol geeft. HWPL zegt zelf dat de DPCW niet bedoeld is om het bestaande internationale rechtsstelsel te vervangen, maar om bestaande normen verder te versterken.

Een verklaring wordt niet automatisch internationaal recht omdat zij steun krijgt

Dat is wellicht de belangrijkste juridische nuance van het hele dossier. De DPCW is vandaag een verklaring van HWPL. Zelfs wanneer politici, steden, organisaties of individuele leiders hun steun uitspreken, ontstaat daardoor niet automatisch een bindende internationale rechtsregel. Voor een werkelijk VN-traject zijn staten nodig. Diplomatieke delegaties moeten bereid zijn een voorstel te dragen. Er moet worden onderhandeld over tekst, juridische betekenis en politieke gevolgen. Indien de Algemene Vergadering ooit een resolutie over de DPCW of onderdelen ervan zou aannemen, is ook dat op zichzelf niet hetzelfde als een internationaal verdrag dat staten juridisch bindt. Het uiteindelijke doel dat HWPL in eigen publicaties noemt, gaat verder: de organisatie streeft naar erkenning van de DPCW als juridisch bindend internationaal instrument. Juist tussen die ambitie en de huidige status ligt een groot politiek traject.

HWPL heeft wel een formele toegang tot bepaalde VN-processen

HWPL staat in de databank van de Verenigde Naties geregistreerd als niet-gouvernementele organisatie en heeft sinds 2017 speciale consultatieve status bij de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties, ECOSOC. Die status geeft een ngo mogelijkheden om binnen bepaalde VN-procedures deel te nemen, informatie in te dienen en contacten te onderhouden. Ze maakt HWPL niet tot onderdeel van de Verenigde Naties en geeft de organisatie geen stemrecht zoals een lidstaat dat heeft. De VN-databank vermeldt HWPL uitdrukkelijk als ngo met ECOSOC Special Consultative Status sinds 2017. Dat is een reële institutionele ingang, maar de beslissingsmacht bij de Verenigde Naties blijft bij de lidstaten.

Indegazette.be zat aan tafel toen België rechtstreeks ter sprake kwam

Voor indegazette.be was de bijeenkomst in Seoul ook relevant omdat België tijdens het gesprek uitdrukkelijk werd genoemd als land waar verdere steun kan worden gezocht. De krant zat niet aan tafel om zichzelf in het middelpunt te plaatsen, maar om rechtstreeks te horen welke juridische en politieke strategie HWPL nastreeft. Daarbij kwam ook een eerder verzoekschrift bij het Europees Parlement ter sprake. In Seoul werd besproken dat een formeel verzoekschrift op zichzelf niet genoeg is om een vredesvoorstel politiek verder te brengen. Wanneer Europese instellingen aangeven dat verdere vooruitgang politieke steun vraagt, moeten parlementsleden, beleidsmakers en andere bevoegde actoren bereid zijn om de inhoud daadwerkelijk te onderzoeken.

Een verzoekschrift opent een deur, maar neemt geen politieke beslissing

Tijdens het gesprek werd duidelijk gemaakt dat het eerdere Europese traject juridisch was behandeld, maar dat politieke opvolging nodig blijft. Daar ligt een essentieel verschil. Het petitierecht geeft een Europese burger de mogelijkheid om een kwestie bij het Europees Parlement aan te kaarten. Dat betekent niet dat het Parlement automatisch instemt met de voorgestelde oplossing. Evenmin betekent behandeling van een verzoekschrift dat een voorstel Europese wetgeving wordt. Het kan wel een formele ingang zijn om een onderwerp te laten beoordelen, documenteren en verder onder de aandacht te brengen. In Seoul werd daarom gesproken over de noodzaak om mensen binnen en rond het Europees Parlement te vinden die bereid zijn de inhoud nader te bekijken.

Brussel kan voor HWPL interessanter zijn dan een nieuwe algemene steunverklaring

België heeft in dit dossier een bijzondere positie omdat Brussel een belangrijk centrum van Europese besluitvorming is. Het Europees Parlement werkt gedeeltelijk in Brussel, de Europese Commissie is er gevestigd en ook de Raad van de Europese Unie heeft er zijn belangrijkste werkzaamheden. Wie de DPCW in Europa serieus wil laten bespreken, heeft daarom weinig aan uitsluitend ceremoniële steun. Een sterkere stap zou zijn om juristen, diplomaten, parlementsleden, academici en vredesorganisaties artikel per artikel te laten onderzoeken. Waar sluit de DPCW aan bij bestaand recht? Waar gaat zij verder? Welke bepalingen zouden juridisch moeilijk liggen? Welke onderdelen hebben politieke kansen? Welke staten zouden bereid zijn een VN-proces te steunen? Dat zijn vragen waarmee een initiatief sterker kan worden dan met algemene verklaringen alleen.

Lotfi Amine Hachemi brengt het traject van 16 mei mee naar de tafel

Ook Lotfi Amine Hachemi nam aan het gesprek deel. Zijn naam werd in de automatische weergave van het gesprek fout geschreven, maar de openbare professionele informatie bevestigt de schrijfwijze Lotfi Amine Hachemi en vermeldt zijn betrokkenheid bij 16mai.be in Brussel. Tijdens de bijeenkomst werd zijn werk rond 16 mei besproken en werd een korte presentatie getoond over de Internationale Dag van het Samenleven in Vrede. De aanwezigheid van Hachemi gaf het gesprek daardoor een concreet voorbeeld van een vredesinitiatief dat eerder al de weg naar de Verenigde Naties heeft afgelegd.

16 mei toont dat een idee daadwerkelijk de Algemene Vergadering kan bereiken

De Internationale Dag van het Samenleven in Vrede werd op 8 december 2017 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties ingesteld via resolutie A/RES/72/130. De resolutie werd aangenomen zonder stemming. Sindsdien wordt 16 mei jaarlijks als Internationale Dag van het Samenleven in Vrede erkend. Tijdens de bijeenkomst in Seoul werd dit traject gebruikt om te illustreren dat een initiatief vanuit de samenleving uiteindelijk een formele plaats binnen het VN-systeem kan krijgen wanneer een staat bereid is het diplomatiek te dragen. Dat voorbeeld is relevant voor HWPL, omdat dezelfde fundamentele vraag terugkomt: welke regering wil een voorstel formeel meenemen naar New York?

De vergelijking met 16 mei heeft tegelijk duidelijke grenzen

Een internationale dag instellen is juridisch niet hetzelfde als een vredesverklaring omzetten in bindend internationaal recht. Een resolutie over een jaarlijkse VN-dag vraagt een ander soort politieke overeenstemming dan regels over het gebruik van geweld, ontwapening, staatsgrenzen, zelfbeschikking en zelfverdediging. Die onderwerpen raken rechtstreeks aan nationale veiligheid en soevereiniteit. Het voorbeeld van 16 mei bewijst dus niet dat de DPCW dezelfde weg kan volgen. Het laat wel zien dat maatschappelijke initiatieven via diplomatieke steun een formele plaats binnen de Algemene Vergadering kunnen bereiken. De vergelijking is daarom politiek interessant, maar juridisch mag zij niet te ver worden doorgetrokken.

Vredeseducatie werd naast internationaal recht gelegd

Jane Bae lichtte ook de vredeseducatie van HWPL toe. De organisatie werkt met onderwijsprogramma’s waarin leerkrachten worden opgeleid en vervolgens vredeswaarden met leerlingen bespreken. Jongerenwerking krijgt daarnaast een plaats via de International Peace Youth Group, IPYG. Bae legde uit dat jongeren niet uitsluitend als doelgroep worden gezien, maar ook als deelnemers aan vrijwilligerswerk, lokale activiteiten en initiatieven rond vrede. Daarmee probeert HWPL het juridische verhaal van de DPCW naast onderwijs en maatschappelijke inzet te plaatsen.

Geschiedenisonderwijs werd een tweede gevoelig onderwerp

Indegazette.be bracht tijdens het gesprek ook een eerder voorstel rond een gemeenschappelijke benadering van geschiedenisonderwijs ter sprake. Daarbij werd verwezen naar Servië, Kroatië en Vukovar als voorbeeld van een regio waar dezelfde historische gebeurtenissen vanuit verschillende nationale perspectieven kunnen worden onderwezen. De gedachte achter het voorstel is dat toekomstige spanningen mede kunnen worden gevoed wanneer jongeren jarenlang uitsluitend leren dat de andere bevolkingsgroep de vijand is. Samen met Amanda Kim werd daarom eerder nagedacht over een universele benadering van vredesgeschiedenis waarin meerdere perspectieven naast feitelijke geschiedschrijving kunnen worden geplaatst. Jane Bae reageerde positief op het voorstel.

Dat idee vraagt net zoveel zorgvuldigheid als de DPCW zelf

Geschiedenisonderwijs kan bijdragen aan verzoening, maar mag nooit betekenen dat feiten worden afgezwakt om iedereen tevreden te houden. Oorlogsmisdaden blijven oorlogsmisdaden. Slachtoffers moeten worden erkend. Historische documenten en onafhankelijk onderzoek blijven leidend. Een vredesgerichte benadering kan wel proberen te voorkomen dat kinderen uitsluitend een nationalistisch verhaal krijgen waarin hele bevolkingsgroepen collectief als dader of vijand worden voorgesteld. Dat vraagt historici, onderwijskundigen en vertegenwoordigers van verschillende landen die bereid zijn om bronnen naast elkaar te leggen en te onderscheiden tussen feit, interpretatie en propaganda.

De oprichter van HWPL brengt zijn oorlogservaring mee in het verhaal

Tijdens de presentatie werd ook verwezen naar Man Hee Lee, de voorzitter van HWPL, en zijn ervaringen tijdens de Koreaanse Oorlog. HWPL voert zijn persoonlijke oorlogservaring aan als een belangrijke reden voor het ontstaan van de organisatie. De gedachte daarachter is dat vooral jongeren de prijs van oorlog betalen en dat toekomstige generaties niet telkens opnieuw in hetzelfde patroon terecht mogen komen. HWPL werd vervolgens opgebouwd rond drie grote werkterreinen die ook in Seoul naar voren kwamen: internationaal recht voor vrede, vredeseducatie en interreligieuze dialoog.

De vraag is niet of vrede mooi klinkt, maar of staten regels willen aanvaarden

Daarmee komt het debat terug bij de politieke kern. Vrede is een woord waar bijna iedere regering zich achter kan scharen. Veel moeilijker wordt het wanneer concrete verplichtingen worden besproken. Is een staat bereid zijn bewapening te verminderen? Aanvaardt hij een internationale rechter wanneer een beslissing tegen zijn eigen belang ingaat? Hoe wordt zelfverdediging afgebakend? Hoe wordt voorkomen dat godsdienstvrijheid wordt misbruikt voor geweld zonder vreedzame gelovigen te treffen? Wie beslist wanneer een beroep op zelfbeschikking gerechtvaardigd is? Wat gebeurt er als een staat een internationale regel negeert? Zonder antwoorden op zulke vragen blijft een vredesverklaring politiek kwetsbaar.

Daarom kan kritiek de DPCW sterker maken

Een initiatief als de DPCW heeft weinig aan mensen die uit beleefdheid ja zeggen zonder de tekst werkelijk te lezen. Een juridisch vredesproject wordt sterker wanneer ook moeilijke vragen worden gesteld. Het is daarom zinvol om de tien artikelen naast het VN-Handvest, mensenrechtenverdragen, internationaal humanitair recht en bestaande rechtspraak te leggen. Sommige bepalingen zullen nauw aansluiten bij bestaande regels. Andere kunnen een andere formulering of politieke invalshoek bieden. Weer andere zullen aanleiding geven tot debat. Dat is geen zwakte. Dat is precies wat moet gebeuren wanneer men van een ngo-verklaring naar internationaal beleid wil gaan.

België kan eerst onderzoeken voordat het steun uitspreekt

Voor België hoeft de eerste stap niet te zijn dat een minister, parlement of andere instelling onmiddellijk zijn handtekening onder de DPCW zet. Een veel geloofwaardiger traject zou bestaan uit inhoudelijk onderzoek. Belgische specialisten in internationaal publiekrecht kunnen de tien artikelen juridisch toetsen. Diplomaten kunnen aangeven welke bepalingen kans maken binnen multilaterale onderhandelingen. Mensenrechtenorganisaties kunnen de onderdelen over religie en etnische identiteit beoordelen. Onderwijsdeskundigen kunnen naar artikel 10 en vredeseducatie kijken. Parlementsleden kunnen vervolgens beslissen of politieke steun verantwoord is. Zo krijgt het debat inhoud.

Van Seoul naar Brussel is één stap, van Brussel naar New York een veel grotere

Dat is uiteindelijk wat de bijeenkomst van 8 augustus 2026 zichtbaar maakte. In Seoul ligt een verklaring met tien artikelen en 38 bepalingen. Er bestaat een internationaal netwerk van mensen die de tekst steunen. Er zijn contacten met juristen, ngo’s, onderwijsactoren en vredesactivisten. Vanuit België bestaan er ingangen richting Europese instellingen en er is ervaring met een ander vredesinitiatief, 16 mei, dat uiteindelijk via een VN-resolutie internationale erkenning kreeg. Maar geen van die elementen maakt de volgende stap vanzelfsprekend. Om de DPCW werkelijk naar de Algemene Vergadering te brengen, zijn staten nodig die bereid zijn politiek eigenaarschap op te nemen.

Indegazette.be zal dit traject niet als promotieverhaal behandelen

De aanwezigheid van indegazette.be aan tafel betekent dat de redactie rechtstreeks toegang had tot de toelichting, vragen kon stellen en de verschillende onderdelen naast bestaande informatie kon leggen. Juist daarom zijn enkele nuances belangrijk: de DPCW is nog geen VN-instrument, de cijfers over de rechtsdeskundigen verschillen naargelang het moment waarnaar wordt verwezen en de VN-Mensenrechtenraad heeft in 2024 een eigen resolutie over mensenrechten en een cultuur van vrede aangenomen, niet artikel 10 van de DPCW zelf. Die precisie maakt het debat geloofwaardiger.

Het echte werk begint waar de slogans stoppen

Tien artikelen tegen oorlog zijn vandaag meer dan ooit aantrekkelijk. De politieke werkelijkheid is uiteraard altijd ietsje moeilijker. Een tekst moet juridisch standhouden, staten moeten bereid zijn hem te bespreken, diplomaten moeten overeenstemming zoeken en uiteindelijk moet duidelijk worden welke vorm van internationale erkenning men precies nastreeft. De DPCW bestaat sinds 2016 en HWPL wil haar internationale draagvlak uitbreiden. In Seoul werd België nadrukkelijk genoemd als mogelijke plaats voor verdere politieke en juridische stappen. indegazette.be zat mee aan tafel toen die ambitie werd besproken. De komende vraag is daarom concreet: blijft de DPCW een verklaring die vooral door haar eigen netwerk wordt gesteund, of ontstaat er ook in Brussel een inhoudelijk debat waarin juristen, politici en diplomaten bereid zijn de tien artikelen werkelijk te toetsen?

Bronnen:
Bijeenkomst in Seoul met Jane Bae, vertegenwoordigers van HWPL, Lotfi Amine Hachemi en indegazette.be, 8 augustus 2026.
Bespreking DPCW, verzoekschrift bij het Europees Parlement en verdere politieke stappen.
Bespreking vredeseducatie, internationaal recht en maatschappelijke betrokkenheid.
Bespreking universele benadering van geschiedenisonderwijs en voorstel met Amanda Kim.
HWPL, officiële FAQ over de totstandkoming van de DPCW: tien artikelen, 38 bepalingen en de commissie die aan het ontwerp werkte.
HWPL, officiële informatie over de huidige International Law Peace Committee en de inhoud van de DPCW.
United Nations Civil Society Participation, registratie van HWPL en speciale consultatieve status bij ECOSOC sinds 2017.
OHCHR, resolutie A/HRC/RES/55/17 “Human rights and a culture of peace”, aangenomen op 4 april 2024.
United Nations Digital Library, resolutie A/RES/72/130 over de Internationale Dag van het Samenleven in Vrede, aangenomen op 8 december 2017 zonder stemming.
United Nations, International Day of Living Together in Peace.
LinkedIn-profiel Lotfi Amine Hachemi, Brussel, 16mai.be

Andy Vermaut +32499357495 (Als je een probleem hebt met de inhoud van een artikel, kan je me altijd mailen op info@indegazette.be – best zo weinig mogelijk mensen in cc zetten, want anders komt dit in de spamfilter terecht. Voor elk artikel geldt een recht op antwoord van betrokkenen tot 3 maanden na publicatie van het artikel. AI wordt gebruikt als redactioneel hulpmiddel. De journalist controleerde de inhoud en feiten.)