Belgisch-Europees traject voor vredeseducatie groeit vanuit een embryonale fase

6 augustus 2026

Een overleg met vredeseducatoren van HWPL in Zuid-Korea heeft op donderdag 6 augustus 2026 een eerste richting gegeven aan een mogelijk Belgisch traject voor vredeseducatie. De plannen bevinden zich nadrukkelijk nog in een embryonale fase. Er bestaat nog geen ondertekende samenwerkingsovereenkomst, er is nog geen definitief lessenprogramma, er zijn nog geen locaties vastgelegd en er is evenmin een startdatum bepaald. Toch is er een duidelijke evolutie merkbaar. Waar eerder vooral over algemene doelstellingen werd gesproken, liggen nu de eerste werkpunten op tafel: een formeel afsprakenkader, een online kennismakingssessie, een mogelijk traject op twaalf plaatsen en een systeem waarbij deelnemers zich later als vredesambassadeur kunnen inzetten.

Geen afgewerkt programma maar een eerste werkmodel

De bijeenkomst was geen officiële lancering van een Belgisch opleidingsprogramma. De aanwezigen hebben evenmin beslist dat alle besproken onderdelen zeker zullen worden uitgevoerd. Het overleg diende om na te gaan welke aanpak haalbaar kan zijn en welke stappen eerst nodig zijn. Dat onderscheid is belangrijk. De plannen zijn nog pril en kunnen tijdens de verdere voorbereiding worden aangepast. De waarde van de vergadering ligt vooral in het feit dat verschillende losse ideeën voor het eerst in een voorlopige volgorde werden geplaatst. Eerst moet duidelijk worden welke organisaties formeel zullen samenwerken. Daarna kan een beperkte online sessie worden getest. Intussen kan worden onderzocht waar belangstelling bestaat voor plaatselijke activiteiten. Pas wanneer die basis aanwezig is, kan een ruimer opleidingstraject worden uitgewerkt.

Formele afspraken als noodzakelijke eerste stap

Een memorandum of understanding, doorgaans afgekort als MoU, werd naar voren geschoven als een van de eerste noodzakelijke documenten. Zo’n memorandum is geen eindpunt, maar een voorlopig kader waarin de betrokken partijen hun bedoelingen en werkafspraken kunnen vastleggen. Het document zou onder andere moeten bepalen wie verantwoordelijk is voor de inhoud van de vredeseducatie, wie de praktische organisatie verzorgt, hoe de communicatie verloopt en op welke manier beslissingen worden genomen. Ook het gebruik van namen, logo’s, lesmateriaal en publieke communicatie moet vooraf helder zijn. Tijdens het overleg werd aangegeven dat een ontwerp tijdig beschikbaar moet zijn voor de bevoegde bestuursorganen. De datum van 15 augustus 2026 werd daarbij als belangrijk intern moment genoemd. Dat betekent nog niet dat tegen die datum alles ondertekend of beslist zal zijn. Het toont wel dat de betrokkenen de intentie hebben om de gesprekken naar een bestuurlijk niveau te brengen.

Voorzichtig evolueren van intentie naar structuur

De overgang van een goed idee naar een werkbaar programma vraagt verschillende controles. De inhoud moet aansluiten bij de Belgische context, de verantwoordelijkheden moeten aanvaardbaar zijn voor alle partners en de financiële en praktische voorwaarden moeten haalbaar blijven. Tijdens de vergadering werd daarom niet alleen over idealen gesproken. Er kwamen ook concrete vragen aan bod. Hoe lang mag een eerste sessie duren? Voor wie wordt het traject georganiseerd? Welke talen zijn nodig? Wie zoekt de locaties? Welke voorwaarden gelden voor iemand die later vredesambassadeur wil worden? Hoe worden deelnemers na een opleiding betrokken gehouden? Op veel van die vragen bestaat nog geen definitief antwoord. Het feit dat ze nu expliciet worden gesteld, wijst er wel op dat het project stilaan van een algemene intentie naar een voorbereidende structuur evolueert.

Een online sessie als eerste proef

De eerste publieke activiteit zou een online kennismakingssessie kunnen worden. Die bijeenkomst moet geïnteresseerden uitleg geven over vredeseducatie zonder hen onmiddellijk aan een lang traject te binden. Tijdens het overleg werd voorgesteld om die eerste sessie beperkt te houden tot ongeveer één uur of anderhalf uur. Een korte webinar kan uitleggen wat onder vredeseducatie wordt verstaan, welke thema’s later aan bod kunnen komen en hoe deelnemers zich verder kunnen engageren. De online vorm maakt het mogelijk om mensen uit verschillende delen van België te bereiken zonder dat zij zich moeten verplaatsen. Tegelijk kan de sessie dienen als test. De organisatoren kunnen nagaan hoeveel belangstelling bestaat, welke vragen leven en welke onderdelen extra uitleg vereisen. De resultaten van die eerste proef kunnen daarna worden gebruikt bij de voorbereiding van de plaatselijke activiteiten.

Geen vervanging voor een langer leertraject

De online sessie is niet bedoeld als een verkorte versie van het hele programma. Ze vormt hoogstens een toegangspoort. Een vredesopleiding vraagt tijd, herhaling en toepassing. Deelnemers moeten niet alleen informatie ontvangen, maar ook leren hoe zij met meningsverschillen, uitsluiting, spanningen en culturele verschillen kunnen omgaan. Dat kan niet in één bijeenkomst worden afgerond. De eerste webinar moet daarom vooral belangstelling wekken en duidelijk maken wat een later traject kan inhouden. Wanneer de reacties positief zijn, kunnen verdiepende sessies worden voorbereid. Daarbij zal moeten worden beslist welke inhoud online kan worden aangeboden en voor welke onderdelen een bijeenkomst ter plaatse noodzakelijk is.

Twaalf plaatsen als latere ambitie

Een van de besproken ideeën is om op termijn activiteiten op twaalf plaatsen in België te organiseren. De keuze voor twaalf locaties is nog geen vaststaand besluit. Ook de steden en gemeenten zijn nog niet geselecteerd. Tijdens het gesprek werden Brussel, Brugge, Gent en Charleroi genoemd als voorbeelden van plaatsen waar een activiteit mogelijk zou kunnen plaatsvinden. Daarnaast werd uitdrukkelijk gesteld dat ook kleinere steden of gemeenten in aanmerking kunnen komen. De spreiding moet ervoor zorgen dat zowel Nederlandstalige als Franstalige deelnemers toegang krijgen tot het programma. Het traject mag niet uitsluitend rond Brussel worden opgebouwd. Mensen uit West-Vlaanderen, Oost-Vlaanderen, Wallonië en andere regio’s moeten eveneens kunnen deelnemen zonder telkens een lange verplaatsing te maken.

Iedere locatie kan een eigen onderdeel krijgen

Het voorlopige model gaat ervan uit dat niet elke bijeenkomst exact dezelfde les hoeft te herhalen. Iedere locatie kan een eigen onderdeel van een breder traject aanbieden. Een sessie kan bijvoorbeeld gaan over vreedzame communicatie, terwijl een andere bijeenkomst aandacht besteedt aan mensenrechten, culturele verschillen, burgerparticipatie of de rol van onderwijs. De precieze onderwerpen zijn nog niet gekozen. Er moet eerst een inhoudelijk kader worden opgesteld waarin de samenhang tussen de afzonderlijke sessies wordt uitgelegd. Ook moet duidelijk worden of deelnemers alle bijeenkomsten fysiek moeten volgen of bepaalde onderdelen online kunnen afwerken. Zonder die afspraken kan nog niet worden bepaald hoeveel tijd het hele traject zal vragen.

Lisseth Pérez krijgt een voorbereidende en coördinerende rol

Lisseth Pérez werd tijdens het overleg naar voren geschoven als een belangrijke contactpersoon voor de Belgische voorbereiding. De bedoeling is dat Lisseth Pérez betrokken wordt bij de administratieve opvolging, de voorbereiding van documenten en het overleg tussen de verschillende partijen. Die taak is in deze fase belangrijk omdat het initiatief uit verschillende onderdelen bestaat. Er moeten documenten worden opgesteld, mogelijke locaties worden onderzocht, lesonderdelen worden geordend en afspraken worden gemaakt over communicatie en vertaling. Lisseth Pérez zal daarbij niet alleen informatie doorgeven, maar ook helpen om voorstellen om te zetten in een hanteerbaar werkplan. De precieze bevoegdheden moeten nog worden vastgelegd in overleg met de betrokken organisaties.

Taalgebruik vraagt bijzondere aandacht

Een Belgisch programma kan niet zonder aandacht voor de taalverhoudingen. De basisteksten zullen mogelijk in het Nederlands, Frans en Engels nodig zijn. Ook uitnodigingen, inschrijvingsformulieren, presentaties en evaluaties moeten begrijpelijk zijn voor de beoogde deelnemers. De keuze van de taal kan per locatie verschillen. Een bijeenkomst in Brugge zal een andere praktische aanpak vragen dan een sessie in Charleroi of Brussel. Tegelijk moet de inhoud inhoudelijk gelijkwaardig blijven. Deelnemers mogen niet afhankelijk van hun taalgebied een beperktere opleiding ontvangen. Dat vraagt vertaalwerk, inhoudelijke controle en een vaste terminologie voor begrippen zoals vrede, mensenrechten, dialoog en burgerlijke verantwoordelijkheid.

Van deelnemer naar vredesambassadeur

Wie het hele traject volgt, zou later als peace ambassador of vredesambassadeur kunnen worden erkend. Ook dat voorstel bevindt zich nog in de beginfase. De titel mag geen vrijblijvende onderscheiding worden die na een cursus wordt uitgereikt en daarna geen betekenis heeft. Tijdens het gesprek werd gesteld dat vredesambassadeurs betrokken moeten blijven. Zij zouden nieuwe deelnemers kunnen informeren, lokale activiteiten kunnen ondersteunen en de uitgangspunten van de opleiding in hun school, organisatie, vereniging of werkkring kunnen toepassen. Daarvoor zijn duidelijke criteria nodig. Het aantal te volgen sessies, de vereiste aanwezigheid, eventuele opdrachten en de inzet na afloop moeten vooraf worden bepaald. Zonder heldere voorwaarden bestaat het risico dat de titel op verschillende manieren wordt geïnterpreteerd.

Vredeseducatie moet praktisch bruikbaar zijn

Het toekomstige programma mag niet uitsluitend bestaan uit theoretische beschouwingen over oorlog en vrede. De organisatoren willen ook aandacht geven aan situaties die mensen in hun dagelijkse leven meemaken. Conflicten kunnen ontstaan in scholen, gezinnen, verenigingen, besturen en werkomgevingen. Deelnemers moeten leren hoe zij spanning herkennen, hoe zij luisteren zonder onmiddellijk te veroordelen en hoe zij een meningsverschil bespreekbaar houden. Ook discriminatie, groepsdruk, vooroordelen en online polarisatie kunnen in het programma worden opgenomen. De concrete werkvormen moeten nog worden ontwikkeld. Gesprekken, oefeningen, praktijkvoorbeelden en samenwerking in kleine groepen behoren tot de mogelijkheden.

Onderzoek moet behoeften vooraf in kaart brengen

Voor de start van de opleidingen wordt gedacht aan een vragenlijst voor mogelijke deelnemers. Die vragenlijst kan nagaan welke kennis al aanwezig is, welke culturele ervaringen mensen hebben en welke onderwerpen zij belangrijk vinden. Er kan ook worden gevraagd of deelnemers toegang hebben tot culturele activiteiten, hoe zij Europese instellingen ervaren en welke praktische hindernissen deelname bemoeilijken. Het onderzoek kan helpen om de inhoud af te stemmen op de mensen die werkelijk belangstelling tonen. De verwerking van de antwoorden moet echter zorgvuldig gebeuren. Deelnemers moeten weten waarom gegevens worden verzameld, wie ze kan raadplegen en hoelang ze worden bewaard. Ook dit onderdeel moet nog worden uitgewerkt voordat de vragenlijst kan worden verspreid.

Lokale besturen kunnen een praktische partner worden

Steden en gemeenten kunnen later worden gevraagd of zij een bijeenkomst willen ontvangen. Hun bijdrage kan beperkt blijven tot het aanbieden van een zaal, het verspreiden van informatie of het leggen van contacten met scholen en verenigingen. Een lokale vertegenwoordiger kan ook worden uitgenodigd om een activiteit te openen. Er zijn nog geen formele afspraken met lokale besturen gemaakt. Het zou daarom voorbarig zijn om bepaalde locaties nu al als bevestigd voor te stellen. Eerst moet een duidelijke uitnodiging worden opgesteld waarin staat wat van een bestuur wordt verwacht en welke ondersteuning de organisatoren zelf aanbieden. Daarna kan worden nagegaan waar voldoende belangstelling en capaciteit bestaan.

Belgische en Europese kennis als aanvullende laag

Naast de algemene vredeseducatie werd gesproken over het toevoegen van informatie over Belgische en Europese instellingen. Deelnemers kunnen zo leren hoe mensenrechten, democratische besluitvorming en burgerparticipatie in de praktijk functioneren. Dat onderdeel mag de kern van het programma niet overnemen. Het moet een aanvullende laag zijn die deelnemers helpt om de vredesprincipes te plaatsen binnen hun eigen bestuurlijke omgeving. Ook hier is verdere voorbereiding nodig. Er moet worden bepaald welke informatie werkelijk relevant is en hoe die begrijpelijk kan worden uitgelegd zonder van de workshops een institutionele cursus te maken.

Een embryonale fase met zichtbare vooruitgang

Het Belgische traject staat nog ver van een afgewerkt programma. Er is nog geen ondertekend memorandum, geen definitieve kalender, geen vastgesteld budget en geen bevestigde lijst van locaties. Die onzekerheden moeten openlijk worden erkend. Tegelijk is het initiatief niet langer beperkt tot een losse gedachte. De mogelijke volgorde van de werkzaamheden is besproken, een online proef wordt onderzocht, Lisseth Pérez krijgt een voorbereidende rol en de ambitie voor activiteiten in verschillende Belgische regio’s is omschreven. Het project bevindt zich dus nog in een embryonale fase, maar het evolueert. De komende weken zullen uitwijzen of de eerste documenten, afspraken en interne goedkeuringen voldoende stevig zijn om de stap naar een proefactiviteit te zetten

Bronnen:
Verslag van de vergadering met vredeseducatoren van HWPL in Zuid-Korea op 6 augustus 2026

Andy Vermaut +32499357495 (Als je een probleem hebt met de inhoud van een artikel, kan je me altijd mailen op info@indegazette.be – best zo weinig mogelijk mensen in cc zetten, want anders komt dit in de spamfilter terecht. Voor elk artikel geldt een recht op antwoord van betrokkenen tot 3 maanden na publicatie van het artikel. AI wordt gebruikt als redactioneel hulpmiddel. De journalist controleerde de inhoud en feiten.)